Raads­vragen: Meer­vleer­muizen en de ener­gie­tran­sitie - vervolg­vragen op 20bb17141


Indiendatum: 9 jan. 2023

Geacht college,

We hebben de beantwoording[1] van onze schriftelijke vragen over ‘Meervleermuizen in Zuidwijk’ van eind 2020 in goede orde ontvangen. Wij stelden de vragen naar aanleiding van het nieuws – destijds in een artikel[2] op de website van het AD Rotterdams Dagblad – dat er een kolonie meervleermuizen was ontdekt in Zuidwijk. Het artikel opende met:

“Rotterdam-Zuid mag trots zijn. Van alle mooie natuur in deze regio heeft de zeldzame meervleermuis een flatje in Zuidwijk uitverkoren als ‘home sweet home’. Deze zomer hebben zo’n veertig vrouwtjes er in een spouwmuur hun jongen grootgebracht.”

1. Weet u hoe het nu gaat met de kolonie? Is de kolonie nog altijd gevestigd in Zuidwijk?

In het radioprogramma Met het oog op morgen van 4 januari jongstleden werd de benarde positie van de meervleermuis besproken, als gevolg van maatregelen die worden genomen in het kader van de energietransitie. Door isolatie van spouwmuur of dak wordt het leefgebied van de vleermuissoort tenietgedaan. Een bioloog verbonden aan de Radboud Universiteit, die in het programma aan het woord komt, stelt dat het aantal vrouwtjes van de soort van dertienduizend begin jaren negentig is afgenomen tot achtduizend nu. Dat is een flinke afname. De reden van de afname is voor een groot deel gelegen in de verduurzaming van bouwwerken, zoals woningen of bedrijfspanden. Omdat de meervleermuis een gebouw-bewonend dier is, geldt dit meer dan voor andere vleermuissoorten.

De alarmerende ontwikkeling van de landelijke populatie heeft ertoe geleid dat 2023 door verscheidene organisaties is uitgeroepen tot ‘Jaar van de meervleermuis’[3]. De soort mag niet verloren gaan.

2. Heeft u inzichtelijk wat de aantallen meervleermuizen in Rotterdam zijn, in een vergelijking tussen verleden en heden? Indien ja, hoe verhoudt de populatieontwikkeling hier zich tot landelijke ontwikkelingen?

3. Erkent u dat instandhouding van de landelijke populatie meervleermuizen onder druk staat door toedoen van maatregelen in het kader van de energietransitie, bijvoorbeeld door isolatie van spouwmuur of dak? Indien ja, wat kan er volgens u aan worden gedaan om dergelijke maatregelen te verenigen met instandhoudingsdoelstellingen, zodat de strijd voor een beter klimaat en betere stedelijke biodiversiteit gezamenlijk wordt gevoerd?

In voornoemde beantwoording geeft het college bij vraag 5 aan dat de omgevingsvergunning het geëigende instrument is om te toetsen op instandhouding van diersoorten die wettelijke bescherming genieten, zoals de meervleermuis. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend voor activiteiten die zien op sloop/nieuwbouw en sommige aanpassingen van bouwwerken. Instandhouding gaat dan per ontheffing op de Wet natuurbescherming, waarna compenserende maatregelen moeten worden genomen. Wij zien twee forse beperkingen op de slagkracht van de gemeente. Enerzijds zijn niet alle aanpassingen vergunningsplichtig. Zo vragen we ons bijvoorbeeld af of het isoleren van een spouwmuur, die zich achter de gevel en dus inpandig bevindt, vergunningsplichtig is. Anderzijds geeft de bioloog in voornoemd radioprogramma aan dat er voor meervleermuizen nog geen oplossing is gevonden het verlies van leefgebied door verduurzaming van bouwwerken te compenseren, dan wel het verlies te mitigeren. We vragen ons af hoe een ontheffing op verlies van leefgebied voor de meervleermuis kan worden verstrekt, in onze stad door de Omgevingsdienst Haaglanden namens provincie Zuid-Holland.

4. Heeft u enig zicht op vergunningsvrije aanpassingen aan bouwwerken door eigenaren in Rotterdam waarbij leefgebied van de meervleermuis teniet wordt gedaan, in het geval dat de vleermuissoort is waargenomen? Indien nee, hoe denkt u te kunnen sturen op instandhouding van de stedelijke populatie aan meervleermuizen als veel werkzaamheden buiten uw zichtveld plaatsvinden? Indien ja, wat weet u hiervan?

5. Heeft u enig zicht op afname dan wel toename van potentieel leefgebied van de meervleermuis in Rotterdam door vergunningsvrije aanpassingen aan bouwwerken, om zo conclusies te trekken over de kans dat de populatie meervleermuizen zich in onze stad kan handhaven of versterken? Indien ja, wat weet u hiervan?

6. Welke compenserende dan wel mitigerende maatregelen voor het verlies van leefgebied van de meervleermuis worden doorgaans opgelegd door Omgevingsdienst Haaglanden in ontheffingsbeschikkingen op de Wet natuurbescherming, waar het de meervleermuis betreft?

De gemeente draagt bij aan de energietransitie van eigenaren van bouwwerken, bijvoorbeeld met subsidies of leningen. Zo is er bijvoorbeeld de energietransitielening voor Rotterdamse particuliere woningeigenaren, die onder meer kan worden benut voor isolerende maatregelen zoals het opvullen van de ruimte tussen gevel en spouwmuur. Wij denken dat de gemeente hier de mogelijkheid kan benutten om informatie te verschaffen over de gevolgen van sommige maatregelen voor gebouwgebonden biodiversiteit, waartoe de meervleermuis behoort.

7. Verschaft u nu al informatie over gebouwgebonden biodiversiteit aan aanvragers van gemeentelijke subsidie of lening voor verduurzaming van bouwwerken, bijvoorbeeld uit het energietransitiefonds? Indien ja, waaruit bestaat deze informatie? Indien nee, bent u bereid dergelijke informatie aan aanvragers te verschaffen?

Voor de goede orde, wij zijn erg blij met initiatieven van Rotterdammers voor verduurzaming van de gebouwde omgeving. Om die reden zien wij graag dat de gemeente eigenstandig voorzieningen treft of bestaande bouwwerken – zoals civiele kunstwerken – aanpast om de meervleermuis meer kans te geven tot vestiging in Rotterdam. Als voorziening zou je kunstmatig gecreëerde steilwanden voor oeverzwaluwen als voorbeeld kunnen nemen.

8. Bent u bereid zelf leefgebied te ‘maken’ voor de meervleermuis, zoals het treffen van voorzieningen (à la de steilwand, als genoemd voorbeeld) of het geschikt maken van bouwwerken voor het nestelen van de soort? Indien nee, waarom niet?

In antwoord op onze schriftelijke vragen geeft u ook aan dat u nadenkt over opname van icoonsoorten zoals de meervleermuis in het biodiversiteitsbeleid van de gemeente. En dat is gebeurd, want de soort is in de Uitvoeringsagenda biodiversiteit[4] van december 2020 opgenomen in de ’10 van 010’ – een opsomming van tien soorten die op dat moment een jaar lang symbool staan voor de stadsnatuur van Rotterdam. In de uitvoeringsagenda staat over de ’10 van 010’ het volgende:

“Om biodiversiteit concreet en tastbaar te maken benoemen we de ‘10 van 010’. De icoonsoorten van planten en dieren die horen bij de verschillende biotopen van de stad. De meervleermuis is één van de 10. De andere soorten die we kiezen moeten aansprekend en kenmerkend zijn voor de Rotterdamse biotopen.”

9. Hoe poogt u het ‘concreet en tastbaar’ maken van biodiversiteit te meten? En ziet u de meerwaarde voor concrete en tastbare biodiversiteit in het geval van de meervleermuis, omdat Rotterdammers aan de slag in de energietransitie op directe wijze in aanraking komen met de soort?

10. Heeft u aanvullend op het benoemen van de meervleermuis nog meer gedaan voor kennisvergroting over de soort, zodat Rotterdammers haar herkennen én erkennen als waardevolle stadsnatuur?

De uitvoeringsagenda vervolgt:

“We ontwikkelen een platform en/of tool waarmee bewoners op eigen terrein of in hun directe omgeving hun waarnemingen en bijdragen aan ontwikkeling van biodiversiteit kunnen aangeven. Dit geeft ons inzicht in onder andere de waardevolle 10 van 010 en in de specifieke problemen van onze stad die opgelost moeten worden om biodiversiteit verder te ontwikkelen.”

Deze passage sluit aan op de wens van het college om burgerwetenschap een plek te geven in het monitoren (middels ‘biodiversiteitsmonitor’) en meten (middels ‘natuurmeetnet’) van stedelijke biodiversiteit. Het college maakt gewag van zogeheten ‘citizen science’ in afdoening van een motie die oproept wilde dieren in de stad te beschermen. Verkregen natuurdata uit deze instrumenten moet leiden tot meetbare doelen voor het op peil houden en uitbreiden van bedreigde (wilde) diersoorten in Rotterdam.

11. Hoe verloopt de ontwikkeling van het platform en/of tool waarmee bewoners op eigen terrein of in hun directe omgeving hun waarnemingen en bijdragen aan ontwikkeling van biodiversieit kunnen aangeven?

12. Ziet u voor de ontwikkeling van het platform en/of tool meerwaarde in het actief betrekken van aanvragers van gemeentelijke subsidie of lening in het geval van de energietransitie, om zo hopelijk in al die duizenden isolatieprojecten soortenrijkdom van gebouwgebonden biodiversiteit beter te kunnen vatleggen? Indien nee, waarom niet?

Wij zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet.

[1] https://gemeenteraad.rotterdam.nl/Reports/Document/3bd23d3e-2801-4877-a0bb-5fa84b66b25b?documentId=81d88702-a1b3-4aee-bb39-89e4de19d20b

[2] https://www.ad.nl/rotterdam/dat-is-tof-zeldzame-vleermuizen-in-zuidwijk~a09272ec/

[3] https://www.zoogdiervereniging.nl/wat-we-doen/bijzondere-themas/jaar-van

[4] https://rotterdam.raadsinformatie.nl/document/9563301/2/s20bb018584_1_37500_tds