Raads­vragen: Geur­ver­or­dening Floating Farm mogelijk onrecht­matig


Indiendatum: 14 nov. 2022

Geacht college,

14 september jongstleden heeft de rechtbank in Den Haag gevonnist[1] in een zaak tussen enerzijds de staat der Nederlanden en anderzijds omwonenden van veehouderijen. De omwonenden hadden de staat gedaagd omdat huidige wetgeving om stankoverlast door veehouderijen tegen te gaan – verankerd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)[2] – in hun ogen onvoldoende bescherming biedt voor behoud van het woongenot. Ongestoord woongenot is een grondrecht.

1. Kent u de uitspraak van de rechtbank in Den Haag die wij aanhalen? Indien nee, bent u bereid akte te nemen van de uitspraak?

De rechtbank is van mening dat de Wgv omwonenden van veehouderijen onvoldoende beschermt tegen stankoverlast. In het vonnis valt te lezen dat de staat, naar het oordeel van de rechtbank, onrechtmatig handelt dan wel heeft gehandeld tegen de omwonenden die de rechtszaak hebben aangespannen. Het ligt in de rede dat een ieder die binnen een bepaalde afstand tot een veehouderij woont, óók is blootgesteld aan onrechtmatig overheidshandelen.

2. Hoeveel veehouderijen, zoals bedoeld in de Wgv, zijn er binnen de gemeentegrenzen van Rotterdam?

3. Bent u bereid ons op de hoogte te houden over eventuele gevolgen voor Rotterdamse veehouderijen als uitkomst van de uitspraak van de rechtbank in Den Haag? Indien nee, waarom niet?

De Wgv is het wettelijk kader voor ruimtelijke inpassing van veehouderijen, waarmee provincies en gemeenten indien nodig tevens regelgeving kunnen optuigen om de exploitatie van veehouderijen mogelijk te maken. Binnen onze gemeentegrenzen is de drijvende boerderij Floating Farm in Merwe-Vierhavens mogelijk gemaakt met beroep op de Wgv. In 2017 heeft de gemeenteraad de ‘Geurverordening ten behoeve van de drijvende boerderij ‘Floating Farm’ in Merwe-Vierhavens’[3] vastgesteld. De geurverordening is nodig omdat er zich een geurgevoelig object in de directe nabijheid van de Floating Farm bevindt.

4. Welke consequenties kan de uitspraak van de rechtbank hebben voor de legitimiteit en houdbaarheid van de voornoemde geurverordening? Komt het voor dat verordeningen moeten worden herzien of komen te vervallen als de wet die bevoegde gezagen de mogelijkheid biedt per verordening sommige zaken te regelen, moet worden gewijzigd? Indien nee, waarom niet?

In de uitspraak van de rechtbank staat in de opsomming van de feiten bij punt 2.10 de volgende belangwekkende passage:

“Bij de toetsing van het afstandscriterium wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat de (bedrijfs)woning binnen of buiten de bebouwde kom ligt. Binnen de bebouwde kom is een afstand van 100 meter vereist, buiten de bebouwde kom een afstand van 50 meter. Ten aanzien van de afstanden tussen veehouderijen en woningen kan niet bij gemeentelijke verordening worden afgeweken, ten aanzien van (voormalige) agrarische bedrijfswoningen wel.”

Geurgevoelige objecten waarvoor sprake is van toepassing van een afstandscriterium in het geval van de Floating Farm zijn volgens het raadsvoorstel[4] voor voornoemde geurverordening volgens onze omgevingsdienst DCMR – die de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de drijvende boerderij heeft getoetst aan wet- en regelgeving – ‘bedrijfsgebouwen en het bijeenkomstgebouw (verblijfsfunctie)’, gelegen op een afstand van 50 tot 60 meter vanaf de buitenzijde van de stallen.

In de geurverordening staat het volgende:

“Met betrekking tot de drijvende boerderij zijn (…) geurnormen van toepassing, te weten (…) een gestandaardiseerde minimale afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten ten aanzien van de koeien.”

En ook:

“De afstandsnorm van 100 meter ten aanzien van de koeien is daarentegen niet haalbaar.”

5. Kunt u bevestigen dat de hierboven aangehaalde passages kloppen en voorkomen in voornoemde geurverordening?

In het raadsvoorstel – door het college aangeboden om de geurverordening beter te kunnen duiden – wordt uitgeweid over de rol van DCMR in het toetsen van de effecten van de Floating Farm voor de geurgevoelige objecten. Er staat onder meer het volgende:

Zoals blijkt uit de toelichting van DCMR zal de geuremissie van de kippen niet tot een overschrijding van de norm leiden. De afstandsnorm van 100 meter ten aanzien van de koeien is daarentegen niet haalbaar. De wettelijk vastgestelde afstandsnorm is echter niet afhankelijk gesteld van het aantal koeien terwijl er in de praktijk natuurlijk wel een relatie is tussen het aantal koeien en de geuremissie. Uitgaande van het feit dat de 100-meter-norm is vastgesteld op basis van een gemiddelde veehouderij met (ten minste) 100 koeien en gelet op het gegeven dat binnen de drijvende boerderij maximaal 40 koeien worden gehuisvest, acht DCMR reductie van de afstand naar 50 meter redelijk.

En ook:

Gesteld kan worden dat, uitgaande van 40 melkkoeien (…), ook met een halvering van de afstandswaarde van 100 meter naar 50 meter, sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geur aangezien er geen sprake is van een verminderde bescherming van het milieu.

6. Is het gebruikelijk dat DCMR stringente wetgeving, zoals een ‘gestandaardiseerde minimale afstand van 100 meter, vrijelijk interpreteert en daarmee denkt te kunnen afwijken van de regels? Indien ja, mag dat? Indien ja, waarom doet DCMR dat?

7. Wie controleert DCMR in het naleven van de wet? Zijn dat behalve burgers ook deelnemers aan de Gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond of landelijke inspecties op de kwaliteit van de omgevingsdiensten? Heeft de gemeente Rotterdam volgens u de kennis in huis om de adviezen van DCMR te controleren op naleving van de wet, in dit geval de Wgv?

Het afstandscriterium van 100 meter binnen de bebouwde kom tussen veehouderij en geurgevoelig object is geregeld in artikel 4 van de Wgv. Bij gemeentelijke verordening mag er in sommige gevallen worden afgeweken van het afstandscriterium, geregeld in artikel 6 van dezelfde wet en zoals ook gesteld door informatie van de Rijksoverheid[5]. Dit geldt niet voor bedrijfsgebouwen en een bijeenkomstgebouw in het geval van nabijheid bij een veehouderij met melkkoeien, want die opstallen worden gezien als ‘andere geurgevoelige objecten’ (aangeduid als categorie e[6]). Een afstandscriterium is aan de orde omdat er voor melkkoeien geen geuremissiefactor (uitgedrukt in zogenoemde odour units) bestaat, zoals ook blijkt uit Bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij[7]. DCMR erkent eveneens dat er geen geuremissiefactor geldt voor melkkoeien, blijkens voornoemd raadsvoorstel. Het afstandscriterium van 100 meter blijft onverkort van kracht, met andere woorden.

DCMR denkt evenwel dat de gemeente Rotterdam met het gehanteerde afstandscriterium in voornoemde geurverordening mag afwijken op basis van artikel 6 van de Wvg. In voornoemd raadsvoorstel staat het volgende over de motivering van DCMR over positieve advisering over de gehanteerde afstand tot geurgevoelige objecten in de geurverordening, op basis van alternatieve meetmethoden die zij heeft gebruikt om woongenot ook zonder handhaving van het afstandscriterium te waarborgen:

“Om deze reden ziet DCMR aanleiding om af te wijken van de standaardwaarden ten aanzien van de aan te houden afstanden en toegestane geurbelasting (…). De wet biedt hiertoe ook de mogelijkheid; gelet op artikel 6 van de Wgv kunnen door middel van een geurverordening (binnen bepaalde grenzen) andere waarden voor de afstanden en geurbelasting, worden vastgesteld. De vast te stellen geurverordening voorziet hierin.”

Wij denken dat dit niet klopt. We verwijzen gemakshalve naar de bron in voetnoot 5, zoals ook uitvoerig uiteengezet in de tekst. Verder verwijzen we graag naar bijlage 1 bij deze schriftelijke vragen.

8. Tot welke categorie rekent u de opstallen die u als ‘bedrijfsgebouwen en het bijeenkomstgebouw (verblijfsfunctie)’ betitelt en die DCMR beschouwt als geurgevoelige objecten? Is dat categorie a (ruimte-voor-ruimtewoningen), categorie b (bedrijfswoning en ander geurgevoelig object bij een andere veehouderij), categorie c (voormalige bedrijfswoning of ander geurgevoelig object die op of na 19 maart 2000 geen deel meer uitmaakt van een andere veehouderij), categorie d (voormalige bedrijfswoning of ander geurgevoelig object die vóór 19 maart 2000 geen onderdeel meer uitmaakt van een andere veehouderij) óf categorie e (woningen en andere geurgevoelige objecten die niet onder a t/m d vallen)? En kunt u uw keuze motiveren?

9. Bent u het met ons eens dat de gehouden koeien in Bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij worden aangeduid als ‘diercategorie melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar’, waarvoor thans geen geuremissiefactor geldt? Indien nee, waarom niet?

10. Ziet u net als wij dat bij ontbreken van een geuremissiefactor voor melkkoeien gehouden in een veehouderij het afstandscriterium van kracht is en dat bevoegde gezagen omwille van de nabijheid van geurgevoelige objecten binnen categorie e niet kunnen afwijken van dat afstandscriterium?[8] Indien nee, waarom niet? Indien ja, waarom heeft u destijds in het voornoemde raadsvoorstel gemeend te kunnen afwijken van het afstandscriterium van 100 meter?

11. Bent u het met ons eens dat de geurverordening onrechtmatig is, omdat het botst met de bepaling in de Wgv over het minimale afstandscriterium van 100 meter dat moet worden aangehouden? Indien nee, waarom niet?

De uitspraak van de rechtbank over het afstandscriterium laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De staatsecretaris voor Infrastructuur en Waterstaat heeft inmiddels gereageerd op het vonnis, in een brief[9] aan de Tweede Kamer van 8 november jongstleden. De staatssecretaris schrijft onder meer:

“De wet dient als exclusief toetsingskader, dat wil zeggen dat het bevoegd gezag is gebonden aan de wettelijke kaders van de Wgv.”

12. Hoe duidt u het opgesomde feit in de uitspraak van de rechtbank in Den Haag dat ten aanzien van de afstanden tussen veehouderijen en woningen niet bij gemeentelijke verordening kan worden afgeweken?

13. Bent u het eens met de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat dat de Wgv een exclusief toetsingskader is, bijvoorbeeld ten aanzien van handhaving van een gestandaardiseerde minimale afstand van 100 meter tussen een veehouderij met melkkoeien en een geurgevoelig object zoals kan worden aangetroffen in Merwe-Vierhavens?

Onrechtmatig overheidshandelen moet zo snel mogelijk worden rechtgezet. Wij staan voor een betrouwbare overheid.

14. Kunnen wij bij deze, dus per schriftelijke vraag, een handhavingsverzoek doen waarbij we vragen de Geurverordening ten behoeve van de drijvende boerderij ‘Floating Farm’ in Merwe-Vierhavens te toetsen aan het exclusief wettelijke kader van de Wgv? Indien ja, wilt u hierbij ons verzoek tot handhaving in behandeling nemen? Indien nee, waarom niet? Kunnen fracties in de gemeenteraad, dan wel de stichting onderliggend aan gemeenteraadsfracties, verzoeken tot handhaving indienen?

Wij zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet.

[1] https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:9119

[2] https://wetten.overheid.nl/BWBR0020396/2013-01-01

[3] https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR436152

[4]https://rotterdam.raadsinformatie.nl/document/3974570/2/16bb6915_Raadsvoorstel_Vaststelling_Geurverordening_ten_behoeve_van_de_drijvende_boerderij___Floating_Farm___in_Merwe-_Vierhavens___M4H__

[5] https://www.infomil.nl/onderwerpen/landbouw/geur/handreiking-wgv/4-verordening/4-3/#Niettenopzichtevanallegeurgevoeligeobjecten

[6] Categorie e wordt door de Rijksoverheid omschreven als ‘woningen (en andere geurgevoelige objecten) die niet onder a t/m d vallen’. De andere volgende categorieën worden gehanteerd: a (‘ruimte-voor-ruimtewoningen’); b (‘bedrijfswoning (en ander geurgevoelig object) bij een andere veehouderij’); c (‘voormalige bedrijfswoning (of andere geurgevoelig object) die op of na 19 maart 2000 geen deel meer uitmaakt van een andere veehouderij’); en d (‘voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die vóór 19 maart 2000 geen onderdeel meer uitmaakt van een andere veehouderij’).

[7] https://wetten.overheid.nl/BWBR0020711/2021-10-02

[8] Zie ook de afbeelding in de bijlage voor bekrachtiging van onze zienswijze.

[9] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/11/08/geurhinder-en-veehouderij