SV: Oordeel Hoge Raad en naheffingsaanslag kentekenparkeren

Eind vorig jaar hebben de gemeenteraadsfracties van de VVD en de Partij voor de Dieren schriftelijke vragen gesteld aan het college over de naheffingsaanslag bij het kentekenparkeren. De kern van de vragen was om na te gaan of het college het gerechtvaardigd achtte een naheffingsaanslag op te leggen aan parkeerders die bij het kentekenparkeren een onjuist kenteken hadden ingevoerd. Deze kwestie werd actueel nadat de rechtbank in Amsterdam had geoordeeld dat een gemeente geen naheffingsaanslag mag opleggen als parkeerders kunnen aantonen dat ze aan de parkeerbelasting hebben voldaan. Het college heeft aangegeven dat een naheffingsaanslag in Rotterdam wordt geseponeerd als parkeerders kunnen aantonen dat ze ondanks de invoer van een onjuist kenteken de parkeerbelasting hebben voldaan. Zaak gesloten, zo lijkt het.

Afgelopen week, op vrijdag 26 februari jongstleden, is er wederom een rechterlijke uitspraak (1) gedaan over het kentekenparkeren. Ditmaals is het de Hoge Raad die stelt dat gemeenten geen naheffingsaanslag mogen opleggen in het geval van onjuiste kentekeninvoer, wederom naar aanleiding van een casus in Amsterdam. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de wet – in casu de Gemeentewet, met toepassing van onder andere de Algemene wet inzake rijksbelastingen – geen mogelijkheid biedt tot het opleggen van een naheffingsaanslag. In een persbericht (2) van de Hoge Raad staat hierover te lezen:

“In de wet is namelijk bepaald dat alleen kan worden nageheven wanneer de verschuldigde belasting niet is betaald. In deze zaak heeft de parkeerder wel betaald voor het parkeren. Dat dat niet voor de juiste auto was zoals de gemeente meende, doet daaraan niet af.”

1. Wat vindt het college van deze interpretatie van de wet?

De Hoge Raad stelt verder:

“In deze uitspraak oordeelt de Hoge Raad dat het doen van een onjuiste aangifte parkeerbelasting door een verkeerd kenteken voor de geparkeerde auto in te voeren geen reden is voor het opleggen van een naheffingsaanslag.”

Door dit oordeel staat het Rotterdamse beleid van het opleggen en seponeren van een naheffingsaanslag op de helling. Immers, de Hoge Raad stelt dat er geen rechtsgrond bestaat voor het opleggen van een naheffingsaanslag.

2. Gaat het college na aanleiding van het oordeel van de Hoge Raad het beleid ten aanzien van kentekenparkeren bij een onjuiste kentekeninvoer (ergo: opleggen en seponeren) herzien? Indien nee, waarom niet?

3. Wat zijn volgens het college de gevolgen van bovengenoemd oordeel van de Hoge Raad voor de handhaving van betaald parkeren in Rotterdam?

In de eerder gestelde schriftelijke vragen van de VVD en de Partij voor de Dieren over kentekenparkeren antwoordde het college als volgt op de vraag of zij het parkeerbeleid juridisch wil toetsen:

“Ons beleid omtrent de naheffingsaanslag voldoet aan de rechterlijke uitspraak. Als aangetoond kan worden dat er betaald is, wordt de naheffing geseponeerd. Verdere juridische toetsing is naar onze mening niet nodig.“

4. Is het college deze mening nog steeds toegedaan na het oordeel van de Hoge Raad?

In een artikel op de webpagina van De Telegraaf van vrijdag 26 februari jongstleden staat te lezen dat de gemeente Rotterdam 'lak' heeft aan de uitspraak van de Hoge Raad, dat zij het 'teveel gedoe' en 'te duur vindt' om het parkeerbeleid aan te passen. Gemeenten moeten zich houden aan landelijke wetgeving. Teveel gedoe bestaat niet. Het artikel suggereert tevens dat de gemeente weet hoeveel het kost om het betaald parkeren in overeenstemming met de uitspraak van de Hoge Raad te brengen.

5. Strookt de strekking van het krantenartikel volgens het college met de reactie van de gemeente Rotterdam op het oordeel van de Hoge Raad? Indien nee, hoe luidt de reactie van de gemeente op het oordeel? Indien ja, wat ziet het college als 'teveel gedoe'?

6. Hoeveel gaat het volgens het college kosten om het Rotterdamse parkeerbeleid in overeenstemming te brengen met het oordeel van de Hoge Raad?

Uit de beantwoording van de eerder gestelde schriftelijke vragen blijkt het college eventuele rechtszaken in Rotterdam met betrekking tot de naheffingsaanslag in het geval van onjuiste kentekeninvoer met vertrouwen tegemoet te zien. De Hoge Raad heeft in zijn oordeel voor eens en altijd duidelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag niet mag, ook niet als de aanslag vervolgens geseponeerd wordt. Ons inziens is het vertrouwen van de gemeente ongegrond.

7. Ziet het college eventuele rechtszaken met betrekking tot de naheffingsaanslag in het geval van onjuiste kentekeninvoer nog steeds met vertrouwen tegemoet, ook na het oordeel van de Hoge Raad?

8. In hoeverre is de gemeente voorbereid op een mogelijke toename van het aantal bezwaren tegen onterecht opgelegde naheffingsaanslagen?

Sinds kort gebruikt de gemeente Rotterdam zogenoemde scanauto's om parkeerders te beboeten als zij niet aan de parkeerbelasting hebben voldaan. Het scannen van auto's wordt mogelijk gemaakt door kentekenparkeren. Door het oordeel van de Hoge Raad is het niet onaannemelijk dat de scanauto's niet meer kunnen doen waarvoor ze zijn aangekocht, aangezien parkeerders bewust of onbewust een verkeerd kenteken kunnen of mogen invoeren.

9. Voorziet het college problemen met de inzet van de scanauto's als het Rotterdamse parkeerbeleid in overeenstemming wordt gebracht met het oordeel van de Hoge Raad? Indien nee, waarom niet?

10. Voorziet het college extra inzet van Stadsbeheer voor de handhaving van betaald parkeren in Rotterdam als het Rotterdamse parkeerbeleid in overeenstemming wordt gebracht met het oordeel van de Hoge Raad? Indien nee, waarom niet?

De scanauto's maken handhaving van het betaald parkeren in Rotterdam stukken eenvoudiger door hun grotere bereik. Dit leidt tot een intensivering van de fiscale controle. In de Begroting 2016 (3) van de gemeente Rotterdam staat dat er jaarlijks €1,6 tot €2,6 meer 'omzet' kan worden gemaakt.

11. Heeft het oordeel van de Hoge Raad volgens het college gevolgen voor de aangekondigde omzetstijging die in de Begroting 2016 wordt vermeld? Indien nee, waarom niet?

 

(1) http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:316

(2) https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Hoge-Raad-der-Nederlanden/Nieuws/Paginas/Kentekenparkeren-geen-naheffing-bij-invoeren-verkeerd-kenteken.aspx

(3) http://begroting.rotterdam.nl/p45436/bijstellingen

Antwoorden

Op 1 maart 2016 stelden de raadsleden J.D. van der Lee-van der Haagen (PvdD) en J.W. Verheij (WD) ons schríftelijke vragen over oordeel Hoge Raad en naheffingsaanslag kentekenparkeren.

Inleidend wordt gesteld:
“Eind vorig jaar hebben de gemeenteraadsfracties van de WD en de Partij voor de dieren schriftelijke vragen gesteld aan het college over de naheffingsaanslag bij het kentekenparkeren. De kern van de vragen was om na te gaan of het college het gerechtvaardigd achtte een naheffingsaanslag op te leggen aan parkeerders die bij het kentekenparkeren een onjuist kenteken hadden ingevoerd. Deze kwestie werd actueel nadat de rechtbank in Amsterdam had geoordeeld dat een gemeente geen naheffingsaanslag mag opleggen als parkeerders kunnen aantonen dat ze aan de parkeerbelasting hebben voldaan. Het college heeft aangegeven dat een naheffingsaanslag in Rotterdam wordt geseponeerd als parkeerders kunnen aantonen dat ze ondanks invoer van een onjuist kenteken de parkeerbelasting hebben voldaan.
Zaak gesloten, zo lijkt het.
Afgelopen week, op vrijdag 26 februari jongstleden, is er wederom een rechterlijke uitspraak gedaan over het kentekenparkeren. Ditmaal is het de Hoge Raad die stelt dat gemeenten geen naheffingsaanslag mogen opleggen in het geval van onjuiste kentekeninvoer, wederom naar aanleiding van een casus in Amsterdam. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de wet - in casu de Gemeentewet, met toepassing van onder
andere de Algemene wet inzake rijksbelastingen - geen mogelijkheid biedt tot het opleggen van een naheffingsaanslag. In een persbericht van de Hoge Raad staat hierover te lezen:
“In de wet is namelijk bepaald dat alleen kan worden nageheven wanneer de verschuldigde belasting niet is betaald. In deze zaak heeft de parkeerder wel betaald voor het parkeren. Dat dat niet voor de juiste auto was zoals de gemeente meende, doet daaraan niet af. ”

Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:

Vraag 1:
Wat vindt het college van deze interpretatie van de wet?

Antwoord:
Het arrest van de Hoge Raad is in lijn met de eerdere uitspraak van het Gerechtshof. Er is een onderscheid tussen het doen van aangifte en het opleggen van een naheffingsaanslag. Het systeem van kentekenparkeren als middel om een aanslag op te leggen, blijft juridisch in stand.

Bij het opleggen van een naheffingsaanslag geldt, dat als aangetoond kan worden dat de belasting is voldaan, geen naheffing mag worden opgelegd.
Zie voor nadere onderbouwing ook de beantwoording van de schríftelijke vragen van mevr. B.C. Kathman (PvdA) d.d. 2 februari 2015 en de aanvullende vragen van de heer A. Bonte (GroenLinks) d.d. 2 februari 2015 (beantwoordingen d.d. 18 februari 2015, respectievelijk nr. 15bb874 en 15bb875) en van de heer J.D. van der Lee-van der Haagen (PvdD) d.d. 18 november 2015 (beantwoording 16 december 2015 nr. 15bb10181).

Inleidend aan vraag 2 wordt gesteld:
“De Hoge Raad stelt verder: "In deze uitspraak oordeelt de Hoge Raad dat het doen van een onjuiste aangifte parkeerbelasting door een verkeerd kenteken voor de geparkeerde auto in te voeren geen reden is voor het opleggen van een naheffingsaanslag."
Door dit oordeel staat het Rotterdamse beleid van het opleggen en seponeren van een naheffingsaanslag op de helling. Immers, de Hoge Raad stelt dat er geen rechtsgrond bestaat voor het opleggen van een naheffingsaanslag.”

Vraag 2:
Gaat het college na aanleiding van het oordeel van de Hoge Raad het beleid ten aanzien van kentekenparkeren bij een onjuiste kentekeninvoer (ergo: opleggen en seponeren) herzien? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Anders dan de interpretatie van de vragenstellers impliceert de uitspraak van de Hoge Raad niet, dat het beleid van opleggen en seponeren niet meer kan. De Hoge Raad spreekt zich niet uit over het gebruiken van kentekens voor het opleggen van de aanslag parkeerbelasting. Daarmee blijven eerdere uitspraken van de lagere rechters dat deze manier van het opleggen van een aanslag is toegestaan, in stand. Dat betekent, dat in eerste instantie het opleggen van de naheffing op grond van dit gegeven gebeurt. Op het moment, dat betrokkene aantoont de aanslag parkeerbelasting wel voldaan te hebben, vervalt de grondslag van de naheffing en moet er geseponeerd worden.

Vraag 3:
Wat zijn volgens het college de gevolgen van bovengenoemd oordeel van de Hoge Raad voor de handhaving van betaald parkeren in Rotterdam?

Antwoord:
Geen, zie de beantwoording van vraag 2.

Inleidend aan vraag 4 wordt gesteld:
“In de eerder gestelde schríftelijke vragen van de WD en de Partij voor de Dieren over kentekenparkeren antwoordde het college als volgt op de vraag of zij het parkeerbeleid juridisch wil toetsen: "Ons beleid omtrent de naheffingsaanslag voldoet aan de rechterlijke uitspraak. Als
aangetoond kan worden dat er betaald is, wordt de naheffing geseponeerd. Verdere juridische toetsing is naar onze mening niet nodig.

Vraag 4:
Is het college deze mening nog steeds toegedaan na het oordeel van de Hoge Raad?

Antwoord:
Ja.

Inleidend aan vraag 5 wordt gesteld:
“In een artikel op de webpagina van De Telegraaf van vrijdag 26 februari jongstleden staat te lezen dat de gemeente Rotterdam 'lak' heeft aan de uitspraak van de Hoge Raad, dat zij het 'teveel gedoe' en 'te duur vindt' om het parkeerbeleid aan te passen. Gemeenten moeten zich houden aan landelijke wetgeving. Teveel gedoe bestaat niet. Het artikel suggereert tevens dat de gemeente weet hoeveel het kost om het betaald parkeren in overeenstemming met de uitspraak van de Hoge Raad te brengen.”

Vraag 5:
Strookt de strekking van het krantenartikel volgens het college met de reactie van de gemeente Rotterdam op het oordeel van de Hoge Raad? Indien nee, hoe luidt de reactie van de gemeente op het oordeel? Indien ja, wat ziet het college als 'teveel gedoe'?

Antwoord:
Nee, deze strekking van het krantenartikel geeft niet de inhoudelijke lijn van de gemeente Rotterdam weer. De gemeente houdt vast aan de lijn dat het kenteken als controlemiddel wordt gebruikt en dat aantoonbaar onterechte naheffingsaanslagen worden geseponeerd. Dit past
binnen de uitspraak van de Hoge Raad (zie de beantwoording van vraag 2).

Vraag 6:
Hoeveel gaat het volgens het college kosten om het Rotterdamse parkeerbeleid in overeenstemming te brengen met het oordeel van de Hoge Raad?

Antwoord:
Niet van toepassing, daar het Rotterdamse parkeerbeleid niet hoeft te worden aangepast. Zie de beantwoording van de vragen 2 t/m 4.

Inleidend aan vraag 7 wordt gesteld:
“Uit de beantwoording van de eerder gestelde schríftelijke vragen blijkt het college eventuele rechtszaken in Rotterdam met betrekking tot de naheffingsaanslag in het geval van onjuiste kentekeninvoer met vertrouwen tegemoet te zien. De Hoge Raad heeft in zijn oordeel voor eens en altijd duidelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag niet mag, ook niet als de aanslag vervolgens geseponeerd wordt. Ons inziens is het vertrouwen van de gemeente ongegrond.

Vraag 7:
Ziet het college eventuele rechtszaken met betrekking tot de naheffingsaanslag in het geval van onjuiste kentekeninvoer nog steeds met vertrouwen tegemoet, ook na het oordeel van de Hoge Raad?

Antwoord:
Ja. De beantwoording van de vragen destijds had betrekking op het privacy-aspect van kentekenparkeren. In geen enkele gerechtelijke uitspraak is over dit aspect een uitspraak gedaan.

Vraag 8:
In hoeverre is de gemeente voorbereid op een mogelijke toename van het aantal bezwaren tegen onterecht opgelegde naheffingsaanslagen?

Antwoord:
In hoeverre het aantal bezwaren zal toenemen als gevolg van deze uitspraak, valt moeilijk te voorspellen. Na publiciteit over de eerdere uitspraken van lagere rechtsorganen met dezelfde strekking, inclusief een oproep van Privacy First om geen geldig kenteken in te voeren en vervolgens bezwaar te maken, is het aantal ingediende bezwaren niet noemenswaardig toegenomen. Mocht dit nu wel gebeuren, dan zullen wij uiteraard zorgen voor een correcte afhandeling.

Inleidend aan vraag 8 wordt gesteld:
“Sinds kort gebruikt de gemeente Rotterdam zogenoemde scanauto's om parkeerders te beboeten als zij niet aan de parkeerbelasting hebben voldaan. Het scannen van auto's wordt mogelijk gemaakt door het kentekenparkeren. Door het oordeel van de Hoge Raad is het niet onaannemelijk dat de scanauto's niet meer kunnen doen waarvoor ze zijn aangekocht, aangezien parkeerders bewust of onbewust een verkeerd kenteken kunnen of mogen invoeren.”

Vraag 9:
Voorziet het college problemen met de inzet van de scanauto's als het Rotterdamse parkeerbeleid in overeenstemming wordt gebracht met het oordeel van de Hoge Raad? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, want het beleid is reeds in overeenstemming met het oordeel van de Hoge Raad en behoeft derhalve niet te worden aangepast.

Vraag 10:
Voorziet het college extra inzet van Stadsbeheer voor de handhaving van betaald parkeren in Rotterdam als het Rotterdamse parkeerbeleid in overeenstemming wordt gebracht met het oordeel van de Hoge Raad? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, want het beleid behoeft niet te worden aangepast.

Inleidend aan vraag 11 wordt gesteld:
“De scanauto's maken handhaving van het betaald parkeren in Rotterdam stukken eenvoudiger door hun grotere bereik. Dit leidt tot een intensivering van de fiscale controle. In de Begroting 2016 van de gemeente Rotterdam staat dat er jaarlijks € 1,6 tot € 2,6 meer 'omze? kan worden gemaakt.”

Vraag 11:
Heeft het oordeel van de Hoge Raad volgens het college gevolgen voor de aangekondigde omzetstijging die in de Begroting 2016 wordt vermeld? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. De werkwijze Verandert niet en daarmee blijft de raming gelijk.