SV: Kinder­boer­de­rij­en­be­sluit in de Rotter­damse praktijk


Indiendatum: jul. 2016

Een maand geleden is het Kinderboerderijenbesluit (1) gelanceerd. Het Kinderboerderijenbesluit is een initiatief van dierenwelzijnsorganisaties en dient ertoe dierenwelzijn op kinderboerderijen te verbeteren.

1. Kent het college het Kinderboerderijenbesluit? Indien ja, hoe beoordeelt het college het besluit? Indien nee, is het college bereid akte te nemen van het besluit?

De initiatiefnemers stellen in het voorwoord dat vigerende wet- en regelgeving niet bijdragen aan een adequaat dierenwelzijnsbeleid. Ze stellen dat:

“De huidige wet- en regelgeving en het keurmerk voor kinderboerderijen zoals deze momenteel gehanteerd worden door de branche, medewerkers en gemeenten zijn basale richtlijnen en doen geen recht aan de werkelijke welzijnsbehoeften van dieren gehouden op de kinderboerderij.”

2. Is het college het eens met deze stelling? Indien nee, waarom niet?

3. Stelt het college dat op kinderboerderijen die eigendom zijn van de gemeente een verdergaand dierenwelzijnsbeleid wordt gevoerd dan is omschreven in – en voorgeschreven door – vigerende wet- en regelgeving? Indien ja, hoe wordt in de Rotterdamse praktijk invulling gegeven aan dierenwelzijn op kinderboerderijen? Indien nee, is het college bereid de bepalingen van het Kinderboerderijenbesluit toe te voegen aan het dierenwelzijnsbeleid voor kinderboerderijen?

4. Is het college bereid de Nota dierenwelzijn in overeenstemming te brengen met het Kinderboerderijenbesluit bij de eerstvolgende evaluatie en/of herijking van het gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid? Indien nee, waarom niet?

In de Nota dierenwelzijn van de gemeente Rotterdam worden kinderboerderijen die eigendom zijn van de gemeente voornamelijk in verband gebracht met natuur- en milieueducatie (NME). Voor de Partij voor de Dieren is dierenwelzijn een belangrijke peiler van NME, aangezien de intrinsieke waarde van dieren de grondslag vormt voor bestendig natuur- en milieubeheer. Het Kinderboerderijenbesluit is een mooie aanleiding om dierenwelzijn in het lesmateriaal te verankeren.

5. Is het college het met ons eens dat dierenwelzijn een belangrijke peiler is van NME? Indien nee, waarom niet?

6. Op welke wijze wordt volgens het college momenteel invulling gegeven aan dierenwelzijn binnen NME?

7. Is het college bereid de educatieve invulling van dierenwelzijn binnen NME aan te passen aan de inzichten die voortkomen uit het Kinderboerderijenbesluit?

Binnenkort beslist de Raad of NME wordt verzelfstandigd. Binnen NME spelen kinderboerderijen een cruciale rol. Mocht verzelfstandiging werkelijkheid worden, dan zal een stichting verantwoordelijk worden voor de uitvoering van NME. Met andere woorden, NME wordt 'op afstand' gezet. De Partij voor de Dieren is tegen een mogelijke verzelfstandiging omdat het lastiger wordt te controleren of aan de vereisten voor dierenwelzijn wordt voldaan, zoals bijvoorbeeld verankerd in het Kinderboerderijenbesluit, laat staan of de stichting de educatieve functie van kinderboerderijen weet te waarborgen. Als de Raad desondanks besluit tot verzelfstandiging, dan willen wij aan de voorkant goede afspraken maken over dierenwelzijn op de Rotterdamse kinderboerderijen.

8. Stelt het college dat een stichting voor NME – mocht verzelfstandiging werkelijkheid worden – kan voldoen aan de vereisten voor dierenwelzijn zoals omschreven in het Kinderboerderijenbesluit? Indien ja, waarom?

9. Is het college voornemens om in het geval van verzelfstandiging periodiek te controleren of aan de vereisten voor dierenwelzijn wordt voldaan zoals omschreven in het Kinderboerderijenbesluit? Indien nee, waarom niet?

10. Is het college bereid om in het geval van verzelfstandiging als voorwaarde te stellen dat een stichting handelt conform het Kinderboerderijenbesluit? Indien nee, waarom niet?

Voor de Partij voor de Dieren is het belangrijk dat er een einde komt aan het fokken van dieren op kinderboerderijen (en hertenkampen). In het Kinderboerderijenbesluit wordt in ieder geval gesteld dat het fokken van dieren alleen is toegestaan als de dieren tot hun natuurlijke dood op de kinderboerderijen kunnen (ver)blijven, waardoor slacht wordt uitgesloten.

11. Is het college bereid het beleid van aanzien van het fokken van dieren zoals omschreven in het Kinderboerderijenbesluit per ommegaande door te voeren op de Rotterdamse kinderboerderijen? Indien nee, waarom niet?

(1) http://www.diervriendelijkekinderboerderijen.nl/sites/diervriendelijkekinderboerderijen.nl/files/field/attachment/kinderboerderijenbesluit-juni-2016-dev.pdf

Indiendatum: jul. 2016
Antwoorddatum: 6 sep. 2016

Op 19 juli 2016 stelde J.D. van der Lee-van der Haagen (PvdD) ons schríftelijke vragen over het Kinderboerderijbesluit.

Inleidend wordt gesteld:

Een maand geleden is het Kinderboerderijenbeslui? gelanceerd. Het Kinderboerderijenbesluit is een initiatief van dierenwelzijnsorganisaties en dient ertoe dierenwelzijn op kinderboerderijen te verbeteren.

Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:

Vraag 1:
Kent het college het Kinderboerderijenbesluit? Indien ja, hoe beoordeelt het college het besluit? Indien nee, is het college bereid akte te nemen van het besluit?

Antwoord:
We kennen het Kinderboerderijenbesluit. Het Kinderboerderijenbesluit wordt onder de aandacht gebracht van de medewerkers op de door ons geëxploiteerde kinderboerderijen. Goed om te weten is dat het zogenoemde Kinderboerderijenbesluit geen besluit is in de zin van de wet-en regelgeving maar een initiatief van dierenwelzijnsorganisaties.

Inleidend op vraag 2 wordt gesteld:

De initiatiefnemers stellen in het voorwoord dat vigerende wet— en regelgeving niet bijdragen aan een adequaat dierenwelzijnsbeleid. Ze stellen dat: “De huidige wet— en regelgeving en het keurmerk voor kinderboerderijen zoals deze momenteel gehanteerd worden door de branche, medewerkers en gemeenten zijn basale richtlijnen en doen geen recht aan de werkelijke welzijns behoeften van dieren gehouden op de kinderboerderij. ”

Vraag 2:
Is het college het eens met deze stelling? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
De wet- en regelgeving is een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid en voor ons de basis voorde uitvoering van het werk op de Kinderboerderijen. Het Keurmerk Kinderboerderijen, waar al onze kinderboerderijen aan voldoen, is aanvullend op wet-en regelgeving. Het keurmerk bevat een onderdeel dieren en dierenwelzijn, maar richt zich hier niet exclusief op. Het richt zich ook op mensen. Bijvoorbeeld op de veiligheid en hygiëne voor de bezoeker en de kwaliteit van de medewerkers. Tezamen bieden zij volgens ons voldoende waarborgen voor een meer dan basaal dierenwelzijn. Dat neemt overigens niet weg dat we aanvullend op de wet- en regelgeving en het keurmerk altijd open staan voor mogelijkheden ter verdere verbetering van het dierenwelzijn.

Vraag 3:
Stelt het college dat op kinderboerderijen die eigendom zijn van de gemeente een verdergaand dierenwelzijnsbeleid wordt gevoerd dan is omschreven in — en voorgeschreven door — vigerende wet— en regelgeving? Indien ja, hoe wordt in de Rotterdamse praktijk invulling gegeven aan dierenwelzijn op kinderboerderijen? Indien nee, is het college bereid de bepalingen van het Kinderboerderijenbesluit toe te voegen aan het dierenwelzijnsbeleid voor kinderboerderijen?

Antwoord:
In de Rotterdamse praktijk laten de kinderboerderijen door het behalen van het Keurmerk Kinderboerderijen zien dat zij aanvullend op wet en regelgeving aanpassingen doen op de kinderboerderijen die betrekking hebben op ondermeer dierenwelzijn.
Daarnaast onderzoeken de kinderboerderijen, uitgaande van de Nota Dierenwelzijn, op welke onderdelen zij hun voorbeeldfunctie op het gebied van dierenwelzijn nog verder kunnen verbeteren.

Vraag 4:
Is het college bereid de Nota dierenwelzijn in overeenstemming te brengen met het Kinderboerderijenbesluit bij de eerstvolgende evaluatie en/of herijking van het gemeentelijk dierenwelzijnsbeleid? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Wij kunnen ons voor een groot deel vinden in de ínhoud van het “kinderboerderijenbesluit” van de dierenwelzijnorganisaties en dit is deels al staande praktijk. We zijn wel van mening dat er op onderdelen nuancering en keuzemogelijkheden ontbreken. Waar het Kinderboerderijenbesluit zich primair richt op dierenwelzijn, moeten de Rotterdamse kinderboerderijen de balans zien te vinden tussen
dierenwelzijn enerzijds en de functie van de kinderboerderijen op gebied van educatie en recreatie anderzijds.
Concreet betekent dit dat we met name over de volgende punten anders denken:
- Educatie en voorlichting: Dit dient naar onze mening afgestemd te worden op het ontwikkelingsniveau en handelingsperspectief van de doelgroep. Voorlichting over de vleesindustrie vinden wij meer geschikt voor (jong)volwassenen. Dat neemt overigens niet weg dat de kinderen wel wordt verteld wat de herkomst van voeding (en dus ook vlees) is. Uitgangspunt is dat je goed moet zijn voor ieder dier, ongeacht het dier wordt gehouden voor dierlijke producten of niet.
- Soorteigen gedrag en natuurlijke behoeften: Garanderen dat alle dieren voor 100% het soorteigen gedrag (kunnen) blijven vertonen is niet haalbaar op een kinderboerderij. Ook niet voor alle gedragingen geldt dat het afzwakken hiervan een negatief effect heeft op het welzijn van het dier. De dieren op onze kinderboerderijen worden waar nodig geobserveerd op verminderd dierenwelzijn (zowel fysiek condities als stereotype gedragingen).
- Diersoorten die niet op een kinderboerderij thuishoren: Aan de meeste kinderboerderijen is een educatief centrum gekoppeld. Daar worden lessen verzorgd die verder gaan dan de standaard kinderboerderijdieren. Een voorbeeld daarvan is een les over reptielen en amfibieën. Ten behoeve van deze lessen worden deze dieren op één locatie gehouden; verzorgd door vakkundige medewerkers. Goede lessen/voorlichting over deze dieren heeft mede tot doel bewustwording te creëren ter ontmoediging van het als ‘huisdier’ houden van dergelijke dieren.
- Fokken, opvang en handel: We zijn geen voorstander van een fokverbod. Jonge dieren zijn belangrijk ten behoeve van educatie, gezondheid van dieren(populaties) en instandhouding van enkele zeldzame rassen. Er zijn hiervoor stringente voorwaarden. Hierop wordt bij de beantwoording van vraag 11 nader ingegaan.

Deze deels afwijkende kijk op kinderboerderijen neemt overigens niet weg dat we op onderdelen (bijvoorbeeld huisvesting en voorlichting) verbetermogelijkheden zien op gebied van dierenwelzijn. Het integraal overnemen van het Kinderboerderijenbesluit bij een eventuele herijking van de Nota Dierenwelzijn gaat ons echter een stap te ver.

Inleidend op vraag 5 wordt gesteld:

In de Nota dierenwelzijn van de gemeente Rotterdam werden kinderboerderijen die eigendom zijn van de gemeente voornamelijk in verband gebracht met natuur— en milieueducatie (NME). Voorde Partij voorde Dieren is dierenwelzijn een belangrijke peiler van NME, aangezien de intrinsieke marde van dieren de grondslag vormt voor bestendig natuur— en milieubeheer. Het Kinderboerderijenbesluit is een mooie aanleiding om dierenwelzijn in het lesmaieriaal te verankeren.

Vraag 5:
Is het college het met ons eens dat dierenwelzijn een belangrijke peiler is van NME? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja, dieren en dierenwelzijn zijn belangrijke pijlers van NME.

Vraag 6:
Op welke wijze wordt volgens het college momenteel invulling gegeven aan dierenwelzijn binnen NME?

Antwoord:
Hier wordt invulling aan gegeven in de lessen en lesmaterialen over dieren voor leerlingen van (primair) het basisonderwijs. Hierbij ligt de aandacht op kennismaking met dieren, kennis en inzicht verwerven, zorgbesef en verantwoordelijkheid binnen het handelingsperspectief van het kind. Daarnaast wordt er veel aandacht aan dierenwelzijn besteed tijdens het begeleiden en onderwijzen van MBO/HBO stagiaires bij het houden en verzorgen van dieren op kinderboerderijen.
Ook geven de kinderboerderijen voorlichting over het verzorgen van huisdieren aan bezoekers.

Vraag 7:
Is het college bereid de educatieve invulling van dierenwelzijn binnen NME aan te passen aan de inzichten die voortkomen uit het Kinderboerderijenbesluit?

Antwoord:
Hiertoe zien we vooralsnog geen aanleiding. Zoals eerder aangegeven is het huidige beleid op veel onderdelen al in overeenstemming met het Kinderboerderijenbesluit.

Inleidend op vraag 8 wordt gesteld:
Binnenkort beslist de Raad of NME wordt verzelfstandigd. Binnen NME spelen kinderboerderijen een cruciale rol. Mocht verzelfstandiging mrkelijkheid worden, dan zal een stichting verantwoordelijk worden voorde uitvoering van NME. Met andere woorden, NME wordt 'op afstand'gezet. De Partij voorde Dieren is tegeneen mogelijke verzelfstandiging omdat het lastiger wordt te controleren of aan de vereisten voor
dierenwelzijn wordt voldaan, zoals bijvoorbeeld verankerd in het Kinderboerderijenbesluit, laat staan of de stichting de educatieve functie van
kinderboerderijen weer te waarborgen. Als de Raad desondanks besluit tot verzelfstandiging, dan willen wij aan de voorkant goede afspraken maken over dierenwelzijn op de Rotterdamse kinderboerderijen.

Vraag 8:
Stelt het college dat een stichting voor NME — mocht verzelfstandiging werkelijkheid worden — kan voldoen aan de vereisten voor dierenwelzijn zoals omschreven in het Kinderboerderijenbesluit? Indien ja, waarom?

Antwoord:
Aan een eventueel verzelfstandigd, door de gemeente gesubsidieerde, NME- organisatie worden (minimaal) dezelfde voorwaarden meegegeven als nu ook gelden voor de gemeentelijke uitvoeringsorganisatie. Die voorwaarden worden uitgewerkt in het Hoofdlijnenbesluit verzelfstandiging NME, dat begin 2017 aan de raad wordt voorgelegd.
Een groot deel van de ínhoud van het Kinderboerderijenbesluit is momenteel al realiteit op de Rotterdamse kinderboerderijen. Zoals gezegd zijn er punten in het Kinderboerderijenbesluit die niet in lijn zijn met onze kijk op kinderboerderijen en wat ons betreft dus ook niet als voorwaarde aan een eventueel te verzelfstandigen NMEorganisatie worden meegegeven.

Vraag 9:
Is het college voornemens om in het geval van verzelfstandiging periodiek te controleren of aan de vereisten voor dierenwelzijn wordt voldaan zoals omschreven in het Kinderboerderijenbesluit? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Handhaving van wet- en regelgeving is een bevoegdheid van de rijksoverheid. In de afspraken met de NME- organisatie zullen vereisten worden opgenomen op gebied van dierenwelzijn, maar ook op het gebied van welzijn, veiligheid en hygiëne voor het publiek en ook de kwaliteit van de medewerkers. Daarop wordt dan vanzelfsprekend getoetst.
Ook dit wordt uitgewerkt ín het, onder het antwoord op vraag 8, genoemde Hoofdlijnenbesluit.

Vraag 10:
Is het college bereid om in het geval van verzelfstandiging als voorwaarde te stellen dat een stichting handelt conform het Kinderboerderijenbesluit? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Het college geeft als voorwaarde mee dat een verzelfstandigde organisatie zich houdt aan de vigerende wet- en regelgeving. Daaronder valt dit Kinderboerderijenbesluit van de dierenweízijnsorganisaties dus niet. Zoals gezegd volgen wij een groot gedeelte van de uitgangspunten en aanbevelingen van dit ’’Kinderboerderijenbesluit”, maar wijkt onze kijk op kinderboerderijen op een aantal onderdelen hier van af.

Inleidend op vraag 11 wordt gesteld:

Voor de Partij voor de Dieren is het belangrijk dat er een einde komt aan het fokken van dieren op kinderboerderijen (en hertenkampen). In het Kinderboerderijenbesluit mrdt in ieder geval gesteld dat het fokken van dieren alleen is toegestaan als de dieren tot hun natuurlijke dood op de kinderboerderijen kunnen (ver)blijven, waardoor slacht wordt uitgesloten.

Vraag 11:
Is het college bereid het beleid van aanzien van het fokken van dieren zoals omschreven in het Kinderboerderijenbesluit per ommegaande door te voeren op de Rotterdamse kinderboerderijen? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Dit heeft niet onze voorkeur. De Rotterdamse kinderboerderijen fokken selectief en bewust, met oog voor het welzijn van het dier en de populatie. Dit houdt in:
- onder leiding van vakbekwaam personeel
- in samenwerking met dierenartsen
- niet meer dan nodig is voor educatie
- niet meer dan nodig is voor een gezonde populatie
- geen dieren fokken voor winstoogmerk
- proberen er vooraf rekening mee te houden dat het grootste deel van de jonge dieren ergens geplaatst kan worden
- zoveel mogelijk onderling uitwisselen van dieren
- verantwoordelijkheid voor de beste zorg van geboorte tot overlijden

In de dagelijkse praktijk zijn de kinderboerderijen open over het feit dat er ook af en toe dieren naar de slager gaan. Dit wordt juist aangegrepen om met bezoekers te praten over de herkomst van vlees en de keuzes die een consument hierin kan maken. Voorop staat altijd, dat een dier op een kinderboerderij zeer goed verzorgd moet worden en niet tijdens zijn leven als product behandeld dient te worden.
Tot slot zijn kinderboerderijen stage-leerbedrijven waarbij dierverzorgers en paraveterinairen in opleiding in praktijk alle aspecten van dierverzorging in de agrarische sector mee kunnen maken. Ook ervaring opdoen met geboorten (en alles wat hierbij komt kijken) is van belang. Het unieke bij kinderboerderijen is dat leerlingen tijdens een stage de kans krijgen om voor meerdere diersoorten ervaring, kennis en respect op te doen. Dit is anders dan in agrarische bedrijven, waarbij vaak één diersoort in grote aantallen aanwezig is.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer