Stand van zaken onderhoud onze molens


Indiendatum: jun. 2015

Geacht college,

In een artikel in het Algemeen Dagblad van 4 juni jongstleden, getiteld “Alleen miljoenen kunnen onze mooie molens redden”, wordt de noodklok geluid over de toekomst van molens in Nederland. Volgens het rapport 'Molentoekomst' van de vereniging De Hollandsche Molen, waar in het artikel melding van is gemaakt, is er jaarlijks structureel vijf miljoen euro extra nodig om ervoor te zorgen dat molens niet in verval raken.

Op Rotterdams grondgebied zijn er negen (1) molens. De Partij voor de Dieren beschouwt onze molens als cultuurhistorisch erfgoed en pleit voor gedegen onderhoud, nu en in de toekomst. Het voornoemde krantenartikel, over de mogelijke deplorabele staat van molens als een financiële injectie uitblijft, heeft ons ertoe gebracht de volgende vragen ter schriftelijke beantwoording te stellen.

1. Kent het college het voornoemde krantenartikel, alsmede het het rapport 'Molentoekomst' van de vereniging De Hollandsche Molen?

2. Stelt het college dat molens in Rotterdam hetzelfde probleem ervaren als wordt vermeld in het krantenartikel, te weten een structureel geldtekort? Indien nee, waarop baseert het college deze stelling? Indien ja, is het college bereid inzichtelijk te maken hoe groot het tekort is (bijvoorbeeld uitgedrukt in €)?

3. Ziet het college het als haar taak een oplossing te vinden voor geldtekort bij molens, teneinde het verval van cultuurhistorisch erfgoed te verhinderen? Indien nee, waarom niet?

4. Wat is de huidige eigendomssituatie van de molens in Rotterdam? Bijvoorbeeld, zijn onze molens allemaal in particulier bezit of is de gemeente eigenaar van een aantal molens?

5. Onderschrijft het college de stelling in het krantenartikel dat overheden het onderhoud van molens steeds vaker overlaten aan eigenaars? Indien ja, hoe vergewist het college zich ervan dat eigenaars hun molens goed onderhouden?

6. Indien de gemeente eigenaar is van een molen en deze wil verkopen/afstoten, hanteert zij criteria waaraan een nieuwe eigenaar moet voldoen? Indien ja, kan het college deze criteria doen toekomen aan de Raad?

7. Heeft de gemeente periodiek contact met eigenaars van molens in Rotterdam om te peilen of er genoeg middelen zijn om gedegen onderhoud uit te voeren? Indien nee, zijn er andere contactvormen – bijvoorbeeld middels een loketfunctie – waar eigenaars problemen kenbaar kunnen maken?

8. Neemt de gemeente deel aan overleggen met overheidsinstanties en/of belangenorganisaties met als inzet een structurele verbetering van het molenonderhoud? Indien nee, waarom niet?

De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed heeft in een nota uit 2011 (2) diverse uitgangspunten voor de omgang met molens geformuleerd. Gemeenten kunnen door middel van een structuurvisie invulling geven aan de bescherming van hun cultuurhistorisch erfgoed. Een structuurvisie is kaderstellend voor bestemmingsplannen. Hierdoor kan ervoor worden gezorgd dat molens blijvend een functie hebben in een veranderende omgeving.

9. Beschikt het college over een structuurvisie waarin de cultuurhistorische waarde van molens geborgd is, of is het college voornemens een dergelijke structuurvisie op te stellen? Indien nee, waarom niet? Indien ja, geeft de structuurvisie ruimtelijke kaders mee aan een goede inpassing van molens in een veranderende omgeving?

Ik zie uw beantwoording met belangstelling tegemoet.

(1) De Distilleerketel, De Hoop, De Lelie, De Nieuwlandse Molen, De Prinsenmolen, De Speelman, De Ster, De Vier Winden, De Zandweg

(2) http://cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/publications/een-toekomst-voor-molens.pdf

Indiendatum: jun. 2015
Antwoorddatum: 1 jan. 1970

Op 11 juni 2015 stelde J.D. van der Lee-van der Haagen (PvdD) ons schriftelijke vragen over de stand van zaken onderhoud onze molens

Inleidend wordt gesteld:

In een artikel in het Algemeen Dagblad van 4 juni jongstleden, getiteld "Alleen miljoenen kunnen onze mooie molens redden", wordt de noodklok geluid over de toekomst van molens in Nederland. Volgens het rapport 'Molentoekoms? van de vereniging De Hollandsche Molen, waar in het artikel melding van is gemaakt, ís er jaarlijks structureel vijf miljoen euro extra nodig om ervoor te zorgen dat molens niet in verval raken. Op Rotterdams grondgebied zijn er negen molens (De Distilleerketel, De Hoop, De Lelie, De Nieuwlandse Molen, De Prinsenmolen, De Speelman, De Ster, De Vier Winden, De Zandweg). De Partij voor de Dieren beschouwt onze molens als cultuurhistorisch erfgoed en pleit voor gedegen onderhoud, nu en in de toekomst. Het voornoemde krantenartikel, over de mogelijke deplorabele staat van molens als een financiële injectie uitblijft, heeft ons ertoe gebracht de volgende vragen ter schriftelijke beantwoording te stellen.

Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:

Vraag 1:
Kent het college het voornoemde krantenartikel, alsmede het rapport 'Molentoekoms? van de vereniging De Hollandsche Molen?

Antwoord:
Ja.

Vraag 2:
Stelt het college dat molens in Rotterdam hetzelfde probleem ervaren als wordt vermeld in het krantenartikel, te weten een structureel geldtekort? Indien nee, waarop baseert het college deze stelling? Indien ja, is het college bereid inzichtelijk te maken hoe groot het tekort is (bijvoorbeeld uitgedrukt in €)?

Antwoord:
Het rapport van De Hollandsche Molen stelt dat diverse overheden de laatste jaren hun bijdragen aan molenonderhoud hebben verlaagd. Ook worden de laatste jaren door rijk en provincie minder incidentele subsidies voor grotere restauraties ter beschikking gesteld. In beginsel treft dit ook de Rotterdamse molens. Naar mening van ons college is daarmee niet ineens sprake van een structureel geldtekort of van een probleem, maar slechts van een verlaging van de (landelijk) beschikbaar gestelde subsidies danwel het beperken van subsidiemogelijkheden. Hierdoor komen minder van de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan molens in aanmerking voor subsidie. Het beheer en onderhoud van de betreffende molen is altijd de verantwoordelijkheid van de eigenaar ervan.

Vraag 3:
Ziet het college het als haar taak een oplossing te vinden voor een geldtekort bij molens, teneinde het verval van cultuurhistorisch erfgoed te verhinderen? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
De omgang met cultuurhistorisch erfgoed strekt verder dan alléén de molens. Het college staat een zorgvuldige omgang met het cultuurhistorisch erfgoed in deze stad voor, maar is van mening dat de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van gebouwen en daarmee ook het financieren daarvan in eerste instantie bij een eigenaar ligt.

Vraag 4:
Wat is de huidige eigendomssituatie van de molens in Rotterdam? Bijvoorbeeld, zijn onze molens allemaal in particulier bezit of is de gemeente eigenaar van een aantal molens?

Antwoord:
Vijf molens in Rotterdam zijn eigendom van de gemeente. Het gaat dan om molens De Ster, De Lelie, De Hoop, De Zandweg en De Vier Winden. De overige molens in Rotterdam zijn eigendom van derden.

Vraag 5:
Onderschrijft het college de stelling in het krantenartikel dat overheden het onderhoud van molens steeds vaker overlaten aan eigenaars? Indien ja, hoe vergewist het college zich ervan dat eigenaars hun molens goed onderhouden?

Antwoord:
Het onderhoud van een (vastgoed)object is altijd de verantwoordelijkheid van de eigenaar. De bij de gemeente in eigendom zijnde molens worden conform een onderhoudsplanning beheerd en onderhouden, ook nu het vorige college de ambitie heeft uitgesproken om deze molens te verkopen. Daarbij wordt gedaan wat nodig is om de molens in een voldoende onderhouds- en technische staat te houden.

Er bestaat in Nederland niet zoiets als een onderhoudsplicht voor gemeentelijk- en rijksbeschermde monumenten. In algemene zin ligt er een taak voor de gemeente in het kader van het toezicht op de bestaande voorraad en meer specifiek in het kader van de naleving van verleende vergunningen. Deze taak is niet anders dan bij (vastgoed)objecten met een andere functie of gebouwen zonder monumentenstatus.

Vraag 6:
Indien de gemeente eigenaar is van een molen en deze wil verkopen/afstoten, hanteert zij criteria waaraan een nieuwe eigenaar moet voldoen? Indien ja, kan het college deze criteria doen toekomen aan de Raad?

Antwoord:
Het vorige college heeft besloten dat de gemeentelijke molens verkocht moeten worden, zoals ook alle andere niet-kernvastgoed van de gemeente. Het handhaven van de molens als werkend monument, waarbij de molens hun huidige functie behouden en kunnen blijven uitoefenen (malen van graan of, zoals in het geval van De Ster en De Lelie, specerijen en tabak) waarbij bovendien een goede herbestemming van de molens waarborgt dat het beheer en onderhoud in goede handen is, was daarbij een belangrijk uitgangspunt en voorwaarde voor ons college. Ook vindt ons college zaken als monumentaal karakter van de molens en de bijgebouwen, toegankelijkheid voor het publiek en financiële draagkracht van een potentiële eigenaar belangrijke afwegingen die spelen bij de verkoop en mogelijke herbestemming van deze monumentale objecten.

Vraag 7:
Heeft de gemeente periodiek contact met eigenaars van molens in Rotterdam om te peilen of er genoeg middelen zijn om gedegen onderhoud uit te voeren? Indien nee, zijn er andere contactvormen - bijvoorbeeld middels een loketfunctie - waar eigenaars problemen kenbaar kunnen maken?

Antwoord:
Nee, er is geen sprake van periodiek contact met eigenaars van molens in Rotterdam. Zoals hierboven al aangegeven, is het beheer en onderhoud van een molen de verantwoordelijkheid van de eigenaar. Dat geldt, meer generiek, voor elk (vastgoedobject. Wanneer sprake is van een Rijks- of Gemeentelijk monument, kunnen eigenaars zich voor advies laten bijstaan door de afdeling Monumentenzorg of door bijvoorbeeld de landelijk opererende Monumentenwacht.

Vraag 8:
Neemt de gemeente deel aan overleggen met overheidsinstanties en/of belangenorganisaties met als inzet een structurele verbetering van het
molenonderhoud? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
De gemeente is lid van de vereniging De Hollandsche Molen vanuit haar verantwoordelijkheid als eigenaar van een aantal Rijksmonumentale molens. Vanuit die verantwoordelijkheid vindt ook overleg plaats met andere overheidsinstanties, zoals bijvoorbeeld de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Verder wordt gesteld:

De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed heeft in een nota uit 2011 diverse uitgangspunten voor de omgang met molens geformuleerd. Gemeenten kunnen door middel van een structuurvisie invulling geven aan de bescherming van hun cultuurhistorisch erfgoed.
Een structuurvisie is kaderstellend voor bestemmingsplannen. Hierdoor kan ervoor worden gezorgd dat molens blijvend een functie hebben in een veranderende omgeving.

Vraag 9:
Beschikt het college over een structuurvisie waarin de cultuurhistorische waarde van molens geborgd is, of is het college voornemens een dergelijke structuurvisie op te stellen? Indien nee, waarom niet? Indien ja, geeft de structuurvisie ruimtelijke kaders mee aan een goede inpassing van molens in een veranderende omgeving?

Antwoord:
De gemeente werkt niet met structuurvisies om specifiek cultuurhistorische waarden te beschermen. De cultuurhistorische waardevolle gebouwen worden beschermd via de Monumentenwet, Monumentenverordening en bestemmingsplannen. Rotterdam heeft een diversiteit aan monumenten en cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, die tezamen de collectie gebouwd erfgoed van Rotterdam vormen. Voor al
dat erfgoed samen voert de gemeente een monumentenbeleid, waarbinnen ook de molens vallen. Voor eventuele planvorming zijn er de algemene ruimtelijke kaders zoals het bestemmingsplan en het welstandsbeleid. In het geval dat een molen een monument
is, is er bovendien bij planvorming te sturen op behoud van de historische karakteristiek.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer