RiF010 en de staat van instand­houding in en om de Stei­gers­gracht


Indiendatum: sep. 2015

De Partij voor de Dieren maakt zich zorgen over RiF010, een ruimtelijke ontwikkeling dat watersportrecreatie beoogt in de Steigersgracht. Wij maken ons onder andere zorgen om de staat van instandhouding van de soortenrijkdom in het plangebied.

1. Doen de initiatiefnemers van RiF010 er volgens het college alles aan de gunstige staat van instandhouding van de flora en fauna in het plangebied te verwezenlijken? Indien ja, wat zijn de maatregelen die de initiatiefnemers zullen nemen? Indien nee, waarom denkt het college dat de initiatiefnemers nalaten de flora en fauna gunstig in stand te houden?

In het “Natuurwaardenonderzoek ten behoeve van RiF010 in de Steigersgracht te Rotterdam', verschenen als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing van RiF010, is de actuele staat van de flora en fauna in het plangebied in kaart gebracht. Het document koppelt de aanwezige soortenrijkdom vervolgens aan landelijke wetgeving met betrekking tot de bescherming van flora en fauna bij ruimtelijke ontwikkelingen. Verschillende soorten zijn benoemd, maar wij denken dat het natuurwaardenonderzoek nog niet volledig is. Dit kan mogelijk gevolgen hebben voor de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet.

2. Klopt het volgens het college dat er in het plangebied van RiF010 ook schubvaren en zwartsteel groeit, soorten die net als de wel benoemde soorten steenbreekvaren en tongvaren in Tabel 2 van de Flora- en faunawet zijn opgenomen? Indien ja, vindt het college dat deze soorten zouden moeten worden benoemd in het natuurwaardenonderzoek? Indien nee, waarom vindt het college dat de soorten niet hoeven te worden benoemd?

3. Klopt het volgens het college dat het plangebied ook dienst doet als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen? Indien ja, vindt het college dat de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied zouden moeten worden benoemd in het natuurwaardenonderzoek? Indien nee, waarom niet?

Vleermuissoorten zijn opgenomen als beschermde soorten in de Flora- en faunawet. Deze soorten genieten strikte bescherming als een activiteit door het bevoegd gezag wordt gekwalificeerd als ruimtelijke ontwikkeling – zoals RiF010. Sinds 2009 bestaat er het landelijke Vleermuizenprotocol, bedoeld om onderzoek naar vleermuizen in aanloop naar een ruimtelijke ontwikkeling te institutionaliseren. Met het Vleermuisprotocol vergewist een ontwikkelaar zich ervan aan de bepalingen in de Flora- en faunawet te voldoen.

4. Is in de planvorming van RiF010 het Vleermuisprotocol toegepast in de onderzoeksfase naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied, zoals wordt aanbevolen in de folder 'Ruimtelijke ontwikkelingen en de Flora- en faunawet', met Gemeentewerken Rotterdam als een van de ondertekenaars? Indien nee, waarom niet?

5. Verwacht het college dat de effecten op vleermuissoorten in het plangebied van RiF010 zodanig zijn dat een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet vereist is? Indien nee, waarom niet?

De ecologische quickscan geldt vaak als de eerste stap in het bepalen van effecten die mogelijkerwijs zouden optreden als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling. Het schetst een beeld van de flora en fauna in het plangebied en wordt om die reden als belangwekkend ervaren.

6. Beschouwt het college het voornoemde natuurwaardenonderzoek van RiF010 als ecologische quickscan?

Om vrijstelling te verkrijgen van de verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet voor soorten in Tabel 2 is een door het Rijk goedgekeurde gedragscode vereist. In de nieuwste versie van de ruimtelijke onderbouwing van RiF010 valt te lezen dat gebruik wordt gemaakt van de gedragscode van de gemeente Sliedrecht, omdat de gemeente Rotterdam niet over een eigen gedragscode beschikt. De ruimtelijke onderbouwing stelt dat de gedragscode van de gemeente Sliedrecht op Rotterdam van toepassing is omdat zij door het Rijk is goedgekeurd.

7. Vindt het college dat de gedragscode van de gemeente Sliedrecht adequaat kan worden toegepast in het geval van RiF010? Indien ja, waarom? Indien nee, waarom niet?

8. Waarom is er volgens het college voor de gedragscode van de gemeente Sliedrecht gekozen?

9. Vindt het college dat goedkeuring van het Rijk de enige rechtvaardiging vormt om de gedragscode van een andere gemeente toe te passen op ruimtelijke ontwikkelingen binnen de eigen gemeentegrenzen? Indien nee, waarom niet? Indien ja, kan dit volgens het college ertoe leiden dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen willekeurig gedragscodes van andere gemeenten kunnen kiezen wanneer zij dit opportuun achten?

De gebruikte gedragscode gebiedt de initiatiefnemers van RiF010 om ten minste de helft van de aanwezige beschermde vaatplanten in stand te houden. Dit is aldus de kwantificering van de gunstige staat van instandhouding waarover wordt gesproken in het kader van de flora- en faunawetgeving.

10. Is de staat van instandhouding van ten minste vijftig procent instandhouding gebaseerd op een wetenschappelijke uiteenzetting over bestendig populatiebeheer waarover het college beschikt? Indien ja, is het college bereid die ons te doen toekomen? Indien nee, waarop is de staat van instandhouding gebaseerd?

Voor de watersportrecreatie van RiF010 wordt het water van de Steigersgracht gezuiverd, de bodem met nieuwe grond opgehoogd en een betonnen vloer aangelegd. Hierdoor wordt er een compleet nieuwe biotoop gecreëerd. Wij verwachten dat dit consequenties heeft voor het (bodem)leven in de Steigersgracht. Daarnaast zullen beschermde vaatplanten op de kademuren het zwaar te verduren krijgen door de golfslag in de Steigersgracht. En naar verluidt wordt er een looproute aangelegd bovenaan de kademuren van de Steigersgracht, pal op of naast deze planten.

11. Heeft de waterzuivering volgens het college consequenties voor de leefbaarheid van de Steigersgracht, bijvoorbeeld voor vissen, waterinsecten en onderwaterplanten? Indien nee, waarom niet?

12. Hoe wordt het welzijn van de vissen en ander bodemleven gewaarborgd als er onderwaterbeton wordt gestort op de bodem van de Steigersgracht? Worden de vissen en ander bodemleven voortijdig uit de Steigersgracht geschept en elders uitgezet?

13. Heeft de golfslag volgens het college consequenties voor de beschermde vaatplanten in de kademuren van de Steigersgracht? Indien nee, waarom niet?

14. Weet het college meer over de ecologische consequenties van de looproute langs de kades die naar verluidt in het plangebied wordt aangelegd?


Ik zie uw beantwoording met belangstelling tegemoet.

Indiendatum: sep. 2015
Antwoorddatum: 29 okt. 2015

Op 18 september 2015 stelde J.D. van der Lee (Partij voor de Dieren) ons schriftelijke vragen over RIF010 en de staat van instandhouding in en om de Steigersgracht.

Inleidend merkt ons college op:
Het college heeft de vergunning om af te wijken van het bestemmingsplan verleend. Tegen deze vergunning zijn zes beroepschriften ingediend. De zaak is dus onder de (bestuurs)rechter. In de beroepschriften wordt gesteld dat de vergunning in strijd zou zijn met de Flora en Faunawet. Dit is echter zeker niet het geval. Daar wordt bij de beantwoording van de vragen hieronder nader op ingegaan. Voor een belangrijk deel is
er een overlap tussen de vragen en de beroepsgronden aangevoerd bij de rechter.

Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:

Vraag 1:
Doen de initiatiefnemers van RIF010 er volgens het college alles aan de gunstige staat van instandhouding van de flora en fauna in het plangebied te verwezenlijken? Indien ja , wat zijn de maatregelen die de initiatiefnemers zullen nemen? Indien nee, waarom denkt het college dat de initiatiefnemers nalaten de flora en faunawet gunstig in stand te houden?

Antwoord:
Het Natuurwetenschappelijk Centrum (NWC) heeft ter voorbereiding van RIF010 een natuurwaardeonderzoek verricht om te beoordelen welke natuur aanwezig is en zo ja, welke eisen de Flora en Faunawet hieraan stelt. Uit de inventarisatie blijkt dat in het plangebied een aantal beschermde natuurwaarden aanwezig zijn. Voor deze natuurwaarden is echter geen ontheffing van de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland vereist, omdat deze waarden voldoende bescherming krijgen wanneer volgens een goedgekeurd protocol wordt gewerkt. Het college is van mening dat de initiatiefnemers hiermee de instandhouding overeenkomstig de wet uitvoeren.

Vraag 2:
Klopt het volgens het college dat er in het plangebied van RIF010 ook schubvaren en zwartsteel groeit, soorten die net als de wel benoemde soorten steenbreekvaren en tongvaren in Tabel 2 van de Flora- en faunawet zijn opgenomen? Indien ja, vindt het college dat deze soorten moeten worden benoemd in het natuurwaardeonderzoek? Indien nee, waarom vindt het college dat de soorten niet hoeven te worden benoemd?

Antwoord:
De NWC is al eerder om een reactie gevraagd op het mogelijk ontbreken van soorten in hun natuurwaardeonderzoek. Naar aanleiding daarvan is de NWC op 3 februari 2015 opnieuw in het plangebied gaan kijken. Ook toen troffen zij geen schubvaren aan maar wel zwartsteel. Omdat de zwartsteel als soort in tabel 2 valt, zal de initiatiefnemer ook voor deze soort volgens het protocol te werk gaan.

Vraag 3:
Klopt het volgens het college dat het plangebied ook dienst doet als foerageergebied voor vleermuizen? Indien j a , vindt het college dat de
aanwezigheid van vleermuizen zouden moeten worden benoemd in het natuurwaardeonderzoek? Indien nee waarom niet?

Antwoord:
De NWC heeft desgevraagd aangegeven dat er wel is beoordeeld op de aanwezigheid van vleermuizen, maar dat er geen waarnemingen beschikbaar zijn waaruit zou blijken dat vleermuizen de gracht als foerageergebied gebruiken en dat men om die reden dat ook niet in haar onderzoek bij de resultaten heeft vermeld.

Vraag 4:
Is in de planvorming van RIF010 het Vleermuisprotocol toegepast in de onderzoeksfase, zoals wordt aanbevolen in de folder 'Ruimtelijke ontwikkelingen en de Flora en faunawet met Gemeentewerken van Rotterdam als een van de ondertekenaars? Indien nee waarom niet?

Antwoord:
Het Vleermuismuisprotocol is een instrument om de verblijfplaatsen en het gedrag van meer dan twintig soorten vleermuizen over een langere periode nauwkeurig vast te stellen. Het Vleermuisprotocol is nodig wanneer uit het veldonderzoek blijkt dat een ontheffing bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland moet worden aangevraagd. Maar voor dit plangebied is daar geen sprake van.
Op grond van artikel 75b van de Flora en Faunawet is op basis van het natuurwaardeonderzoek te constateren dat hier geen activiteit gaat plaatsvinden die de Flora en Faunawet als een handeling aanmerkt waarvoor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland een verklaring moet afgeven. Voor zover vleermuizen al gebruik zouden maken van de gracht als foerageergebied, zijn er in de directe nabijheid uitwijkgebieden om tefoerageren. In een dergelijk geval is geen ontheffing nodig en is dus ook het Vleermuisprotocol niet van toepassing.

Vraag 5:
Verwacht het college dat de effecten op vleermuissoorten in het plangebied van RIF010 zodanig zijn dat een ontheffing in het kader van de Flora en faunawet vereist is ? Indien nee waarom niet?

Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 4.

Vraag 6:
Beschouwt het college het voornoemde natuurwaardeonderzoek van RIF010 als ecologische quickscan?

Antwoord:
In de Flora en Faunawet ontbreekt een dergelijk begrip. Maatgevend is onzes inziens dat het natuurwaardeonderzoek zorgvuldig en deskundig is uitgevoerd en daarmee voldoet aan artikel 75 b van de Flora en faunawet.

Vraag 7:
Vindt het college dat de gedragscode van de gemeente Sliedrecht adequaat kan worden toegepast in het geval van RIF010? Indien ja waarom? Indien nee waarom niet?

Antwoord:
Het protocol is goedgekeurd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en heeft een looptijd tot en met 9 januari 2018. Het protocol beschermt de natuurwaarden overeenkomstig de normen van de Flora en faunawet en kan dus onzes inziens adequaat worden ingezet. De gedragscodes zijn immers niet locatiegebonden.

Vraag 8:
Waarom is er volgens het college voor de gedragscode van de gemeente Sliedrecht gekozen?

Antwoord:
De initiatiefnemer heeft het recht om bij zijn aanvraag een protocol aan te geven. Van dit recht kan hij alleen gebruik maken indien de natuurwaarden volgens een protocol beschermd mogen worden. Het aanvragen van een ontheffing bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is dan niet nodig. Aangezien uit het Natuurwaardeonderzoek blijkt dat met een protocol mag worden gewerkt, heeft de aanvrager gebruik gemaakt van zijn recht en in zijn aanvraag naar het gebiedsprotocol van Sliedrecht verwezen. Omdat dit protocol aan de eisen voldoet, zijn wij hiermee akkoord gegaan.

Vraag 9:
Vindt het college dat goedkeuring van het Rijk de enige rechtvaardiging vormt om de gedragscode van een andere gemeente toe te passen op ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeentegrenzen? Indien nee waarom niet. Indien ja, kan dit volgens het college ertoe leiden dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen willekeurig gedragscodes van andere gemeenten kunnen kiezen wanneer zij dit opportuun achten?

Antwoord:
Geen enkel protocol is willekeurig. De beschermingsgraad van elk protocol is adequaat omdat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland het protocol alleen goedkeurt wanneer dit aan de normen van de Flora en faunawet voldoet.

Vraag 10:
Is de staat van instandhouding van tenminste vijftig procent van instandhouding gebaseerd op een wetenschappelijke uiteenzetting over bestendig populatiebeheer waarover het college beschikt ? Indien ja , is het college bereid ons die te doen toekomen? Indien nee, waarop is de staat van instandhouding gebaseerd?

Antwoord:
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is de landelijke organisatie die gespecialiseerde kennis in huis heeft over de bescherming van dier- en plantensoorten. Nu deze organisatie het protocol vanuit die kennis heeft goedgekeurd, achten wij voldoende waarborgen aanwezig voor de instandhouding van de natuur.

Vraag 11:
Heeft de waterzuivering volgens het college consequensies voor de leefbaarheid van de Steigersgracht, bijvoorbeeld voor vissen, waterinsecten, onderwaterplanten. Indien nee, waarom niet.

Antwoord:
In de watervergunning komen de voorwaarden die zullen waarborgen dat de waterkwaliteit in de Binnenrotte met de komst van RIF010 gelijk blijft en waar mogelijk zal verbeteren.

Vraag 12:
Hoe wordt het welzijn van de vissen en ander bodemleven gewaarborgd als er onderwaterbeton wordt gestort op de bodem van de Steigersgracht? Worden de vissen en ander bodemleven voortijdig uit de Steigersgracht geschept en elders uitgezet?

Antwoord:
Het projectgebied heeft betrekking op een doodlopende zijtak van de Binnenrotte. Blijkens de laatste monitoring van het Hoogheemraadschap is de waterkwaliteit slecht. Toch is niet uit te sluiten dat hier vissen en ander bodemleven huist. Hoewel dit buiten de bescherming van de Flora en faunawet valt, zal de initiatiefnemer maatregelen nemen zodat vissen enz. tijdig kunnen uitwijken naar de Binnenrotte.

Vraag 13:
Heeft de golfslag volgens het college consequenties voor de beschermde vaatplanten in de kademuren van de Steigersgracht? Indien nee,
waarom niet?

Antwoord:
xxx

Vraag 14:

Weet het college meer over de ecologische looproute langs de kades die naar verluidt in het plangebied wordt aangelegd?

Antwoord:
Het plangebied van RIF010 heeft betrekking op een zijtak van de Binnenrotte. Aan de kades en omliggende buitenruimte wijzigt het plan niets. Voor zover de looproute dit deel zou willen aandoen, blijft dat mogelijk.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer