Ontza­meling Wereld­museum


Indiendatum: sep. 2014

Rotterdam, 3 september 2014

Geacht college,

De Groene Amsterdammer (GA) publiceerde op 14 augustus 2014 het artikel Topstukken in de ramsj. Hierin wordt de situatie beschreven met betrekking tot het 'ontzamelen' van het grootste deel van de collectie van het Wereldmuseum. Volgens directeur Bremer betreft het ontzamelen 90% van de totale collectie, conservatoren van andere volkenkundige musea in Nederland (te weten: het Afrika Museum uit Berg en Dal, het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden en het Tropenmuseum in Amsterdam) concluderen dat het 96% van de collectie betreft. De Partij voor de Dieren maakt zich grote zorgen over de huidige situatie bij het Wereldmuseum en vindt dat er een historische vergissing dreigt te worden gemaakt door zo'n groot percentage van de collectie te willen afstoten. De collectie is eigendom van de gemeente Rotterdam.

1. Kent u het artikel uit de Groene Amsterdammer van 14 augustus 2014?

Artikel GA: “'Het betreft echt bulk', verzekert Marieke van Gruijthuijsen, woordvoerster van wethouder Visser. 'Spullen zonder cultuurhistorische waarde voor Rotterdam die je bij wijze van spreken via Marktplaats kunt verkopen.'”

2. Onderschrijft de wethouder deze uitspraak van zijn woordvoerster? Zo ja, waarom? Indien nee, waarom niet?

Artikel GA: “Een gemeentelijke commissie toetst de procedure nog, maar kijkt daarbij niet inhoudelijk naar de waarde van de stukken.”

3. Klopt deze stelling?

4. Welke leden maken deel uit van de commissie die een procedurele toetsing uitvoert?

5. Vormen de observaties van conservatoren uit andere musea over de oppervlakkigheid van het selectieproces, reden om de commissie ook inhoudelijke criteria op te laten stellen?

Artikel GA: “Bij het beoordelen van wat weg kan doet Bremer een beroep op diverse grote kunsthandelaren, zoals Loed van Brussel en - opnieuw - Hugo Kreijger. 'Die handelaren zijn juist zeer nuttig als de 'club van adviseurs' want zij kijken naar de waarde.'”

6. De heer Bremer stelt dus dat er wél naar de waarde wordt gekeken. Klopt dit?

7. Welke 'diverse grote kunsthandelaren' (hoeveel personen) zijn er precies betrokken bij de beoordeling van de collectie van de Stichting Wereldmuseum BV?

8. Hoeveel bedraagt de financiële vergoeding die de kunsthandelaren ontvangen voor hun werkzaamheden voor de Stichting Wereldmuseum BV?

9. Worden deze vergoedingen bekostigd uit de inkomsten van de Stichting Wereldmuseum BV of de Stichting Wereldbusiness BV?

Artikel GA: “Als Rotterdam in 2011 aankondigt de cultuursubsidies te willen afbouwen, acht Bremer 'streven naar een breed wereldmuseum niet langer haalbaar.' Azië komt centraal te staan. De Afrika-collectie vindt hij 'niet uniek genoeg' om het tot speerpunt te maken.” Dr. S. Engelsman, destijds voorzitter van de Stichting Volkenkundige Collectie Nederland (SVCN), zei in een commentaar op de keuze Azië tot speerpunt te maken: “Azië is in, maar de Azië-collectie in het Wereldmuseum heeft de minste kwaliteit.”

10. Zijn de Rotterdamse gemeentelijke gremia die goedkeuring hebben verleend aan het feit dat Azië centraal kwam te staan, op de hoogte van het oordeel van de gezamenlijke volkenkundige musea over het niveau van de Azië-collectie van de Stichting Wereldmuseum BV?

11. Zijn de Rotterdamse gemeentelijke gremia die goedkeuring hebben verleend aan het feit dat Azië centraal kwam te staan, op de hoogte van het feit dat het merendeel van de Aziatische stukken in de huidige opstelling 'De Collectie', afkomstig is van bruikleengevers, zoals de derde etage van het gebouw, met voorwerpen van de Bodhimanda Stichting of de werken van de 'Ger Eenens Collection The Netherlands', die in de catalogi en op de website wordt vermeld als sponsor van het museum?

12. Is er binnen de gemeente, al dan niet in samenwerking met Stichting Wereldmuseum BV, serieus onderzoek gedaan naar de mogelijkheid Aziatische objecten te tonen op basis van een (internationale) bruikleenverzameling waarin Afrikaanse stukken worden uitgeruild tegen Aziatische? Zo niet, waarom niet?

Artikel GA: “Van de nog resterende personeelsleden staan er 33 op de loonlijst van de restaurant-bv en negen op die van de museum-bv, blijkt uit de Kamer van Koophandel-registers. Jaarrekeningen heeft die laatste stichting overigens nooit gedeponeerd. Bremer: 'O, moet dat?'”

13. Was de wethouder op de hoogte dat deze jaarrekeningen van de Stichting Wereldmuseum BV niet werden gedeponeerd?

Artikel GA: “In een - nog niet openbaar gemaakte - brief van 29 augustus 2012 stelt Bremer dat de dienst Kunst & Cultuur van de gemeente heeft toegezegd dat hij de helft van het huidige subsidiebedrag weer terugkrijgt na de verkoop van verkochte collectieonderdelen.”

14. Bevestigt de dienst Kunst & Cultuur dat deze toezegging aan de Stichting Wereldmuseum BV is gedaan?

15. Wie is binnen de dienst Kunst & Cultuur verantwoordelijk voor deze toezegging?

16. Wat zijn de inhoudelijke afwegingen en motivatie voor deze toezegging van de dienst Kunst & Cultuur?

Artikel GA: “Het Wereldmuseum voert al jaren een doodsstrijd.” Uit het business plan dat het Wereldmuseum indiende voor de verbouwing tot restaurant en dat de gemeente Rotterdam goedkeurde bleek dat inkomsten uit horeca bij lange na niet genoeg waren om de €6 miljoen subsidie te vervangen.

17. Waarom is toch goedkeuring gegeven aan dit plan en waarom is daarna de subsidie drastisch verminderd - veel meer dan de horeca-inkomsten ooit zouden kunnen compenseren?

18. Waarom wil de wethouder de subsidie zelfs helemaal stopzetten, wetende dat de horeca-activiteiten niet meer dan zo'n €1,5 miljoen kunnen opleveren? Stuurt de gemeente soms aan op een faillissement van het Wereldmuseum? Licht uw antwoord toe.

19. Hoe verloopt de samenwerking tussen de Stichting Wereldmuseum BV en de drie volkenkundige musea in Nederland, vooral nu deze gefuseerd zijn tot het Nationaal Museum voor Wereldculturen?

In het onlangs verschenen rapport Zorgvuldige omgang met kunst in het publiek domein, geschreven voor Tom Barkhuysen en Machteld Claessens in opdracht van Vereniging Rembrandt, wordt over de Stichting Wereldmuseum BV opgemerkt: 'Het museum blijft geïsoleerd achter met een zorgwekkend verlies aan inhoudelijke expertise. Het nam afscheid van de landelijke organisatie SVCN en is ook niet meer betrokken bij de voortzetting daarvan, het nieuwe Nationaal Museum van Wereldculturen - een fusie van de drie eerder genoemde volkenkundige musea in Nederland. Het is ook geen partij bij het onlangs opgerichte Research Centre for Material Culture in Leiden.

20. Kent de wethouder dit rapport?

21. Kan de Stichting Wereldmuseum BV met het gebrek aan inhoudelijke expertise en vanuit een geïsoleerde positie de taken als beheerder van de collectie buiten het netwerk van het Nationaal Museum van Wereldculturen voldoende blijven vervullen?

22. De samenwerking van het Nationaal Museum van Wereldculturen omvat publieksbereik, educatie, wetenschappelijk onderzoek, internationale samenwerking en ondernemerschap. Brengt de Stichting Wereldmuseum BV de toekomst van het eigen museum op de lange termijn in gevaar door bewust buiten deze krachtenbundeling te willen blijven? Licht uw antwoord toe.

23. Deelt u de conclusie dat de voornemens van Stichting Wereldmuseum BV indruisen tegen de landelijke trend van museale samenwerking? Licht uw antwoord toe.

De Groene Amsterdammer publiceerde d.d. 09.09.2014 een artikel met de titel:
“Supervisor ontzamelen Wereldmuseum schond zelf de regels.”

Artikel GA: “Laan is voorzitter van de Toetsingscommissie Ontzamelen die momenteel bekijkt of de grootschalige ontzameloperatie van het Wereldmuseum volgens de regels verloopt. Hij is tevens voorzitter van de raad van toezicht van het Museum Gouda, dat drie jaar geleden grote ophef veroorzaakte met de verkoop van het schilderij The Schoolboys van Marlene Dumas. Bij die verkoop werd de zogeheten LAMO-richtlijn (Leidraad Afstoting Museale Objecten) doelbewust aan de kant geschoven om het Goudse museum van een faillissement te redden.”

24. Bent u op de hoogte van het feit dat de voorzitter van de ‘Toetsingscommissie Ontzamelen” betrokken was bij de ontzameling van het kunstwerk The Schoolboys van Marlene Dumas in het Museum Gouda waarbij het kunstwerk verkocht werd, een verkoop waarvoor de zogeheten LAMO-richtlijn doelbewust aan de kant geschoven werd? Gelieve uw antwoord toe te lichten.


Ik zie uw beantwoording met belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,

Jeroen van der Lee

Indiendatum: sep. 2014
Antwoorddatum: 23 sep. 2014

Op 3 september 2014 stelde J.D. van der Lee - van der Haagen (PvdD) ons schriftelijke vragen over Ontzameling Wereldmuseum.

Inleidend wordt gesteld:

De Groene Amsterdammer (GA) publiceerde op 14 augustus 2014 het artikel 'Topstukken in de ramsj'.
Hierin wordt de situatie beschreven met betrekking tot het 'ontzamelen' van het grootste deel van de collectie van het Wereldmuseum. Volgens directeur Bremer betreft het ontzamelen 90% van de totale collectie, conservatoren van andere volkenkundige musea in Nederland (te weten: het Afrika Museum uit Berg en Dal, het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden en het Tropenmuseum in Amsterdam) concluderen dat het 96% van de collectie betreft. De Partij voor de Dieren maakt zich grote zorgen over de huidige situatie bij het Wereldmuseum en vindt dat er een historische vergissing dreigt te worden gemaakt door zo'n groot percentage van de collectie te willen afstoten. De collectie is eigendom van de gemeente Rotterdam.

Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:

Vraag 1:
Kent u het artikel uit de Groene Amsterdammer van 14 augustus 2014?

Antwoord:
Ja, wij hebben kennis genomen van het artikel in de Groene Amsterdammer. Hoewel er diverse contacten met de voorlichter van wethouder Visser zijn geweest en de journalist een WOB-verzoek naar de recente geschiedenis van het Wereldmuseum heeft aangevraagd, hebben wij helaas moeten constateren dat de journalist formuleringen hanteert die onzes inziens niet corresponderen met de ons bekende feiten. Hierdoor ontstaat een beeld dat in een aantal gevallen niet voldoende te onderbouwen is. Wij hechten er daarom aan, de aan dit artikel ontleende vragen niet alleen te beantwoorden, maar waar wij dat wenselijk achten ook van kanttekeningen bij het artikel te voorzien.
Zo lijkt het ons bij voorbeeld op zijn plaats om het volgende te melden: De aanvraag voor ontzamelen die het Wereldmuseum bij de gemeente heeft ingediend betreft ca 19% van de totale collectie. Het percentage 90% is bij de gemeente niet bekend en is ook niet aan de orde.

Vraag 2:
Artikel GA: '"Het betreft echt bulk', verzekert Marieke van Gruijthuijsen, woordvoerster van wethouder Visser. 'Spullen zonder cultuurhistorische waarde voor Rofterdam die je bij wijze van spreken via Marktplaats kunt verkopen.'" Onderschrijft de wethouder deze uitspraak van zijn woordvoerster? Zo ja, waarom? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja, de wethouder onderschrijft deze uitspraak, maar geeft daarbij aan dat de voorlichter deze uitspraak in een veel bredere context heeft gedaan om aan te geven wat onder bulk verstaan kan worden en dat de topstukken uit de Afrika-collectie daarbuiten vallen.

Vraag 3:
Artikel GA: "Een gemeentelijke commissie toetst de procedure nog, maar kijkt daarbij niet inhoudelijk naar de waarde van de stukken." Klopt deze stelling?

Antwoord:
Nee, deze stelling klopt niet.
Daarnaast is er geen sprake van een gemeentelijke commissie, maar van een onafhankelijke toetsingscommissie van externe deskundigen, die het college adviseert.
De toetsingscommissie gaat na of het museum dat de aanvraag indient, de voorgeschreven procedure zorgvuldig en juist heeft doorlopen. Onderdeel van deze procedure is een inhoudelijk extern deskundigenoordeel. Indien dit oordeel niet voldoende onderbouwd is, of niet voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, zal de toetsingscommissie dit mee laten wegen in haar advies aan het college. De werkwijze bij ontzamelen - waaronder de rol van de toetsingscommissie - is overigens beschreven in de Visie op Ontzamelen en het daarbij behorende Uitvoeringsprotocol. Beide stukken zijn in januari dit jaar vastgesteld door de gemeenteraad. U ontvangt deze stukken ter informatie bij deze beantwoording.

Vraag 4:
Welke leden maken deel uit van de commissie die een procedurele toetsing uitvoert?

Antwoord:
De voorzitter van de toetsingscommissie is de heer J. Laan (o.a. oud-wethouder van Rotterdam, oud-burgemeester van Nieuwegein en voorzitter RvT Museum Gouda). De leden van de commissie zijn mevrouw M. Brouwer (directeur Museum Het Valkhof in Nijmegen en tot voor kort lid van de Ethische Codecommissie voor Musea), mevrouw L. Grijns (zelfstandig ondernemer en tot voor kort secretaris van de Werkgroep LAMO bij de Museumvereniging) en de heer J.M. Boll (voorheen advocaat en lid van de Raad van State; via diverse bestuuriijke functies betrokken bij de kunst- en erfgoedsector).

Vraag 5:
Vormen de observaties van conservatoren uit andere musea over de oppervlakkigheid van het selectieproces, reden om de commissie ook inhoudelijke criteria op te laten stellen?

Antwoord:
Het antwoord hierop is nee.
Voor de toelichting hierop verwijzen wij u naar het antwoord op vraag 3.

Vraag 6:
Artikel GA: "Bij het beoordelen van wat weg kan doet Bremer een beroep op diverse grote kunsthandelaren, zoals Loed van Brussel en - opnieuw - Hugo Kreijger. 'Die handelaren zijn juist zeer nuftig als de 'club van adviseurs' want zij kijken naar de waarde.'
De heer Bremer stelt dus dat er wél naar de waarde wordt gekeken. Klopt dit?

Antwoord:
Zoals in het Uitvoeringsprotocol is opgenomen maakt een toelichting op de waarde van objecten onderdeel uit van de ontzamelvoorstellen. Dit betreft de kunst- of cultuurhistorische waarde van een object binnen de eigen collectie en binnen de Collectie Nederland. Besluiten tot ontzamelen worden uitsluitend genomen op inhoudelijke gronden: de financiële waarde van objecten weegt hierin niet mee. Het Uitvoeringsprotocol schrijft verder voor dat de kunst- of cultuurhistorische waarde van objecten wordt vastgesteld aan de hand van het Deltaplan voor het Cultuurbehoud of een vergelijkbaar waardestellend kader. Bij objecten van grote kunst-of cultuurhistorische waarde wordt het belang voor de Collectie Nederland getoetst door externe deskundigen (zie ook vraag 3) en dient een taxatierapport te worden bijgevoegd. De toetsingscommissie bekijkt vervolgens of alle stappen van het ontzamelprotocol, waaronder het waarderen van objecten en het inwinnen van extern advies, zorgvuldig en juist doorlopen zijn.

Vraag 7:
Welke 'diverse grote kunsthandelaren' (hoeveel personen) zijn er precies betrokken bij de beoordeling van de collectie van de Stichting Wereldmuseum BV?

Antwoord:
Hierover kunnen wij geen mededelingen doen, omdat de aanvragen voor ontzamelen nog in behandeling zijn. De details van de aanvragen zijn daardoor nog niet openbaar.
Overigens merken wij op dat de in de vraag opgenomen organisatievorm (stichting en BV) een juridische onmogelijkheid is. Het museum is een stichting, geen BV. Het restaurant en de museumwinkel zijn ondergebracht in de onderneming Wereldbusiness BV.

Vraag 8:
Hoeveel bedraagt de financiële vergoeding die de kunsthandelaren ontvangen voor hun werkzaamheden voor de Stichting Wereldmuseum BV?

Antwoord:
Het is niet aan ons om deze vraag te beantwoorden.
Zoals bij alle structureel gesubsidieerde instellingen, behoort inhuur van extern personeel tot de interne bedrijfsvoering van de stichting. In het kader van de subsidierelatie hoeft de stichting hierover geen aparte verantwoording af te leggen aan de gemeente.

Vraag 9:
Worden deze vergoedingen bekostigd uit de inkomsten van de Stichting Wereldmuseum BV of de Stichting Wereldbusiness BV?

Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 8.

Vraag 10:
Artikel GA: "Als Rotterdam in 2011 aankondigt de cultuursubsidies te willen afbouwen, acht Bremer 'streven naar een breed wereldmuseum niet langer haalbaar.' Azië komt centraal te staan. De Afrikacollectie vindt hij 'niet uniek genoeg' om het tot speerpunt te maken." Dr. S. Engelsman, destijds voorzifter van de Stichting Volkenkundige Collectie Nederland (SVCN), zei in een commentaar op de keuze Azië tot speerpunt te maken: "Azië is in, maar de Aziëcollectie in het Wereldmuseum heeft de minste kwaliteit."
Zijn de Rotterdamse gemeentelijke gremia die goedkeuring hebben verleend aan het feit dat Azië centraal kwam te staan, op de hoogte van het oordeel van de gezamenlijke volkenkundige musea over het niveau van de Azië-collectie van de Stichting Wereldmuseum BV?

Antwoord:
Het huidige collectiebeleidsplan van het Wereldmuseum, waarin Azië centraal staat, is vastgesteld door het college en de gemeenteraad in december 2012 in het kader van het Cultuurplan 2013-2016.
Begin 2012 is dit plan inhoudelijk beoordeeld door de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur. De RRKC stelde dat de keuze van het museum om zich te ontwikkelen tot een gespecialiseerd kunstmuseum voor Aziatische kunst goed beargumenteerd was. Het college vertrouwrt erop dat de commissieleden van de RRKC het landelijke debat volgen en landelijke ontwikkelingen mee laten wegen in het advies.

Vraag 11:
Zijn de Rofterdamse gemeentelijke gremia die goedkeuring hebben verleend aan het feit dat Azië centraal kwam te staan, op de hoogte van het feit dat het merendeel van de Aziatische stukken in de huidige opstelling 'De Collectie', afkomstig is van bruikleengevers, zoals de derde etage van het gebouw, met voorwerpen van de Bodhimanda Stichting of de werken van de 'Ger Eenens Collection The Netherlands', die in de catalogi en op de website wordt vermeld als sponsor van het museum?

Antwoord:
Ja, daarvan is het college op de hoogte.

Vraag 12:
Is er binnen de gemeente, al dan niet in samenwerking met Stichting Wereldmuseum BV, serieus onderzoek gedaan naar de mogelijkheid Aziatische objecten te tonen op basis van een (internationale) bruikleenverzameling waarin Afrikaanse stukken worden uitgeruild tegen Aziatische? Zo niet, waarom niet?

Antwoord:
De mogelijkheid van ruil en bruikleen is nadrukkelijk onderwerp van gesprek geweest tussen museum en gemeente. Daarover is het volgende afgesproken: "Het Wereldmuseum onderzoekt de mogelijkheden van ruil, schenkingen en bruiklenen in overleg met musea in Nederland en landen van herkomst."
Inmiddels heeft het Wereldmuseum delen van de collectie in bruikleen gegeven aan musea waar deze voorwerpen beter tot hun recht komen. Voorbeelden zijn: scheepsmodellen die in langdurig bruikleen zijn gegeven aan het Maritiem Museum Rotterdam en een fotocollectie die in bruikleen is gegeven aan het Nederlands Fotomuseum.

Vraag 13:
Artikel GA: "Van de nog resterende personeelsleden staan er 33 op de loonlijst van de restaurant-bv en negen op die van de museum-bv, blijkt uit de Kamer van Koophandel-registers. Jaarrekeningen heeft die laatste stichting overigens nooit gedeponeerd. Bremer: 'O, moet dat?'
Was de wethouder op de hoogte dat deze jaarrekeningen van de Stichting Wereldmuseum BV niet werden gedeponeerd?

Antwoord:
Nee, de wethouder is hier niet van op de hoogte en weet ook niet of deze stelling uit de Groene Amsterdammer juist is. Het is niet aan de wethouder of het college om dit te controleren, maar een verantwoordelijkheid van de onderneming zelf.

Vraag 14:
Artikel GA: "In een - nog niet openbaar gemaakte - brief van 29 augustus 2012 stelt Bremer dat de dienst Kunst & Cultuur van de gemeente heeft toegezegd dat hij de helft van het huidige subsidiebedrag weer terugkrijgt na de verkoop van verkochte collectieonderdelen."
Bevestigt de dienst Kunst & Cultuur dat deze toezegging aan de Stichting Wereldmuseum BV is gedaan?

Antwoord:
Het antwoord hierop is nee.
Hierbij verwijzen wij naar de antwoordbrief van wethouder Laan dd. 13 september 2012 op de bovengenoemde brief van het Wereldmuseum. In deze brief laat wethouder Laan weten dat "...om verdere misverstanden te verkomen lijkt het mij nuttig nog eens helder aan te geven wat de uitgangspunten van het college zijn in deze zaak". Wethouder Laan stelt in antwoord op de bewering dat het Wereldmuseum de helft van het subsidiebedrag weer terugkrijgt na verkoop van collectieonderdelen dat dit "op dit moment prematuur" is. Wethouder Laan vervolgt in haar brief: "Zoals ik in een eerder gesprek heb aangegeven is de verkoop van gemeentelijke collectieonderdelen een bestuurlijk en politiek uitermate gevoelig ondenwerp dat de nodige zorgvuldigheid en besluitvorming behoeft. Ik begrijp uw haast om het voorstel tot verkoop te realiseren, maar wat mij betreft bepaalt zorgvuldigheid het tempo van dit traject".
De brief van wethouder Laan is overigens in het bezit van de journalist van het artikel in de Groene Amsterdammer. Deze brief wordt echter niet aangehaald in zijn artikel.

Vraag 15:
Wie is binnen de dienst Kunst & Cultuur verantwoordelijk voor deze toezegging?

Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 16:
Wat zijn de inhoudelijke afwegingen en motivatie voor deze toezegging van de dienst Kunst & Cultuur?

Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 14.

Vraag 17:
Artikel GA: "Het Wereldmuseum voert al jaren een doodsstrijd." Uit het business plan dat het Wereldmuseum indiende voor de verbouwing tot restaurant en dat de gemeente Rofterdam goedkeurde bleek dat inkomsten uit horeca bij lange na niet genoeg waren om de €6 miljoen subsidie te vervangen.
Waarom is toch goedkeuring gegeven aan dit plan en waarom is daarna de subsidie drastisch verminderd - veel meer dan de horeca-inkomsten ooit zouden kunnen compenseren?

Antwoord:
Het in de Groene Amsterdammer aangehaalde businessplan (revitaliseringsplan) dateert uit 2006. Het is toen besproken in de toenmalige gemeenteraad, die zich kon vinden in het plan en het gevraagde budget beschikbaar stelde. Dit plan kende een hoog ambitieniveau, waarbij de directeur van het Wereldmuseum dacht het budget voor tentoonstellingen en marketing te kunnen verhogen door het inzetten van externe middelen van o.a. sponsors. In dit plan werd een toekomstbeeld geschetst van een museum dat zich minder afhankelijk maakt van de gemeentelijke overheid en verbindingen aangaat met het bedrijfsleven. Dit beeld paste goed in de doelstellingen die met de verzelfstandiging van de gemeentelijke musea per 2005 was geschetst.

Daarnaast dient het Wereldmuseum, zoals alle andere structureel gesubsidieerde instellingen in de cultuursector, elke vier jaar een aanvraag voor subsidie in bij de gemeente. De laatste aanvraag betrof de periode 2013-2016. De RRKC, die het plan inhoudelijk beoordeelde, was van mening dat de uitvoering van het revitaliseringsplan voorspoedig veriiep en dat er voldoende eigen inkomsten waren om per jaar twee wisseltentoonstellingen te bekostigen. De RRKC baseerde zich hierbij op het ingediende beleidsplan van het Wereldmuseum dat stelde dat ..."de organisatie, die anders dan vele andere musea, nu reeds voor een wezenlijk deel van haar budget zelfvoorzienend is, streeft ernaar om vanaf 2016 grotendeels onafhankelijk te zijn van traditionele overheidsfinanciering"...

Na de opgelegde subsidiekorting is aan het Wereldmuseum verzocht om een nieuwe meerjarenbegroting 2013-2016 te maken, waarbij een sluitende exploitatie een belangrijke voorwaarde is. Het Wereldmuseum liet weten de komende jaren hieraan te kunnen voldoen door een verdere bezuiniging op de organisatie, het verhogen van de inkomsten en het Interen op de algemene reserve. De gemeente toetst jaarlijks of de afspraken van ieder jaarplan in deze cultuurplanperiode in overeenstemming zijn met de herziene meerjarenbegroting.

Vraag 18:
Waarom wil de wethouder de subsidie zelfs helemaal stopzetten, wetende dat de horeca-activiteiten niet meer dan zo'n €1,5 miljoen kunnen opleveren? Stuurt de gemeente soms aan op een faillissement van het Wereldmuseum? Licht uw antwoord toe.

Antwoord:
Het is niet juist dat de wethouder de subsidie wil stopzetten. Zijn uitspraak houdt verband met het streven van het museum, zoals verwoord in de Cultuurplan-aanvraag 2013-2016, om vanaf 2016 grotendeels onafhankelijk te zijn van traditionele overheidsfinanciering. De wethouder heeft laten weten niet bij voorbaat afwijzend te staan tegenover deze gedachte.
De huidige Cultuurplan-periode loopt tot en met 2016. In 2016 neemt het college en uw raad, op basis van een nog in te dienen nieuw meerjarenplan van het museum, opnieuw een besluit over het subsidieniveau voor het museum. Elke uitspraak over het toekomstige subsidieniveau van het museum is nu nog voorbarig.

Vraag 19:
Hoe verloopt de samenwerking tussen de Stichting Wereldmuseum BV en de drie volkenkundige musea in Nederland, vooral nu deze gefuseerd zijn tot het Nationaal Museum voor Wereldculturen?

Antwoord:
Deze vraag kunnen wij niet beantwoorden. Het staat de gesubsidieerde instellingen in principe vrij om hun relatiebeheer naar eigen inzicht in te richten en te onderhouden.

Vraag 20:
In het onlangs verschenen rapport Zorgvuldige omgang met kunst in het publiek domein, geschreven voor Tom Barkhuysen en Machteld Claessens in opdracht van Vereniging Rembrandt, wordt over de Stichting Wereldmuseum BV opgemerkt: 'Het museum blijft geïsoleerd achter met een zorgwekkend verlies aan inhoudelijke expertise. Het nam afscheid van de landelijke organisatie SVCN en is ook niet meer betrokken bij de voortzefting daarvan, het nieuwe Nationaal Museum van Wereldculturen - een fusie van de drie eerder genoemde volkenkundige musea in Nederland. Het is ook geen partij bij het onlangs opgerichte Research Centre for Material Culture in Leiden. Kent de wethouder dit rapport?

Antwoord:
Ja, de wethouder kent dit rapport, maar merkt erbij op dat het rapport uitgebracht is door de Vereniging Rembrandt als onderdeel van de inspraakronde in de aanloop naar de nieuwe Erfgoedwet.
Als zodanig kan dit rapport gezien worden als een bijdrage van een van de stakeholders en belangenbehartigers aan de landelijke discussie over de nieuwe erfgoedwet.

Vraag 21:
Kan de Stichting Wereldmuseum BV met het gebrek aan inhoudelijke expertise en vanuit een geïsoleerde positie de taken als beheerder van de collectie buiten het netwerk van het Nationaal Museum van Wereldculturen voldoende blijven vervullen?

Antwoord:
Deze vraag is gebaseerd op het oordeel van de Vereniging Rembrandt.
Het college laat zich, zoals bekend, als het om de inhoudelijke kwaliteiten van de gesubsidieerde instellingen adviseren door de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur in het kader van het Cultuurplan.
Daarnaast hanteert het college een aantal instrumenten voor sturing. Als het gaat om het beheer van de collectie, zijn voor de musea het collectiebeleidsplan 2013-2016 en de beheersovereenkomst uit 2005 leidend. En in het kader van de subsidierelatie worden de jaarplannen en jaarrekeningen elk jaar getoetst.
Daarnaast is het aan de Raad van Toezicht van het museum om het beleid te volgen en de directie te wijzen op de eventuele langere termijn gevolgen van het beleid.

Vraag 22:
De samenwerking van het Nationaal Museum van Wereldculturen omvat publieksbereik, educatie, wetenschappelijk onderzoek, internationale samenwerking en ondernemerschap. Brengt de Stichting Wereldmuseum BV de toekomst van het eigen museum op de lange termijn in gevaar door bewust buiten deze krachtenbundeling te willen blijven? Licht uw antwoord toe.

Antwoord:
De fusie van de drie rijksgefinancierde musea was een voorwaarde voor de rijkssubsidie en is onder andere gericht op een efficiencyslag door een aantal taken te bundelen. Ook bij andere fusies (bv. het Nieuwe Instituut) heeft het ministerie van OCW vergelijkbare uitgangspunten gebruikt. Dit betekent niet dat partijen die geen onderdeel uitmaken van de fusie gevaar lopen.

Vraag 23:
Deelt u de conclusie dat de voornemens van Stichting Wereldmuseum BV indruisen tegen de landelijke trend van museale samenwerking? Licht uw antwoord toe.

Antwoord:
In het gemeentelijke cultuurbeleid wordt er veel waarde gehecht aan samenwerking -met andere culturele instellingen, met het bedrijfsleven en met maatschappelijke organisaties. Ons college is op de hoogte van de zorgen over de wijze waarop het Wereldmuseum opereert en samenwerkt met andere partijen. Op dit moment worden er gesprekken gevoerd met de directie en de Raad van Toezicht. Indien daartoe aanleiding ontstaat, zullen wij uw raad spoedig informeren over de uitkomsten van de gesprekken.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer