Land­goe­deren in de Schiezone


Indiendatum: nov. 2015

De Partij voor de Dieren in Rotterdam maakt zich grote zorgen over de herontwikkeling van plangebied Landgoederen Schiezone, te weten de landgoederen De Tempel en Nieuw Rhodenrijs in het buitengebied van Overschie, alsmede de dramatische gevolgen dat dit zal hebben voor de vleermuizen die in het plangebied leven. Van de Vogel- Vleermuis- en Vlinderwerkgroep Noordrand hebben wij vernomen dat de landgoederen belangrijk zijn voor de staat van instandhouding van vleermuissoorten aan de noordrand van Rotterdam. De Tempel is bijvoorbeeld al sinds de tachtiger jaren een vleermuisreservaat voor ten minste vijf van de zeventien soorten die in Nederland voorkomen. Onder andere de watervleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en de rosse vleermuis komen voor in het plangebied.

1. Wie is eigenaar van voornoemde landgoederen in de Schiezone?

2. Wie heeft opdracht gegeven tot herontwikkeling van de landgoederen?

De herontwikkeling van het plangebied is aanstaande. Daarom is er in opdracht van de gemeente Rotterdam zeer recent een inrichtingsplan opgesteld. Ook is er een rooiplan voorhanden, dat ertoe dient te inventariseren welke bomen moeten worden gekapt. Voor de eerste fase van de herontwikkeling achten de planmakers het namelijk nodig bijna honderd bomen te kappen. Er wordt tevens flink wat ondergroei verwijderd. Naast het inrichtings- en rooiplan is er in het kader van de Flora- en faunawet (aanvullend) onderzoek uitgevoerd naar de vleermuizen in het plangebied, waarvan de resultaten eind vorig jaar zijn gepubliceerd. Het college heeft het inrichtings- en rooiplan en het onderzoek over vleermuizen niet met de Raad gedeeld.

3. Is het college bereid het inrichtingsplan en rooiplan met betrekking tot de eerste fase van de herontwikkeling van plangebied Landgoederen Schiezone te doen toekomen aan de Raad? Indien nee, waarom niet?

4. Is het college bereid het onderzoek over vleermuizen te doen toekomen aan de Raad? Indien nee, waarom niet?

De notie 'eerste fase' veronderstelt dat er ten minste nog een fase volgt. Wij kunnen evenwel slechts gissen wanneer een volgende fase wordt ingezet en of een eventuele fase afhangt van bepaalde afwegingen die het college of de ontwikkelaar zou kunnen maken.

5. Is het college bereid de Raad per brief te informeren over de verdere stappen die zij neemt met betrekking tot herontwikkeling van De Tempel en Nieuw Rhodenrijs? Indien nee, waarom niet? Indien ja, is het college bereid expliciet te vermelden wat het effect is op de flora en fauna in het plangebied?

De Tempel en Nieuw Rhodenrijs zullen na de herinrichting door een stichting worden geëxploiteerd als een woonplek voor zorgbehoevenden.

6. Heeft de herontwikkeling van de landgoederen te maken met de specifieke zorgfunctie die door de exploitant zal worden uitgeoefend? Indien ja, waarom denkt het college dat de ruimtelijke ingreep aansluit op de behoeften van zorgbehoevenden? Indien nee, waarom worden er bomen gekapt?

Het huidige bomenareaal op de landgoederen is een zeer geschikt habitat voor vleermuizen. Zoals de plannen er nu voorliggen wordt deze habitat onherstelbaar beschadigd. Er worden weliswaar nieuwe bomen aangeplant, maar het is nog maar de vraag of die als habitat kunnen dienen voor vleermuizen. Alle soorten vleermuizen die voorkomen op de landgoederen zijn opgenomen in Tabel 3 van de Flora- en faunawet. Zij genieten de hoogste bescherming die de wet biedt. Volgens het onderzoek naar vleermuizen op de landgoederen is geconstateerd dat er veertien paarverblijfplaatsen aangetroffen, waarvan het overgrote deel in bomen. Ook zijn er zomerverblijfplaatsen geconstateerd, alle op landgoed De Tempel. In het onderzoek wordt gesteld:

“Het aanvragen van een ontheffing Flora- en faunawet is niet nodig indien de verblijfbomen (de bomen met zomer- en paarverblijfplaatsen) blijven behouden, alsook alle grotere en oudere bomen binnen een straal van 20 meter rondom de aangetroffen verblijfsbomen.” (pp.36)

7. Zijn er volgens het college in het rooiplan bomen opgenomen die bekend staan als verblijfplaatsen van vleermuizen? Indien ja, heeft het college een ontheffing aangevraagd in het kader van de Flora- en faunawet?

Voor het aanvragen van een ontheffing voor soorten genoemd in Tabel 3 van de Flora- en faunawet kan een gedragscode worden gebruikt die goedgekeurd is door het Rijk.

8. Wordt er bij de herontwikkeling van de landgoederen een gedragscode gehanteerd die door het Rijk is goedgekeurd? Indien nee, waarom niet? Indien ja, welke gedragscode is dit?

In het onderzoek wordt voorts gesteld:

“Niet kan worden uitgesloten dat er, ondanks onderzoek ook in de winter van 2014, toch winterverblijfplaatsen in bomen aanwezig zijn. Dieren zijn dieper weggekropen in grote holten en niet alle holten konden worden onderzocht.” (pp.36)

9. Is het überhaupt mogelijk de landgoederen te herontwikkelen, al dan niet door gebruik te maken van een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet, als niet kan worden vergewist dat er geen schade aan de habitat van vleermuizen wordt aangebracht?

De vleermuizensoorten komen ook voor op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Hiervoor gelden verregaande verplichtingen ten aanzien van de te nemen beschermingsmaatregelen. Voor een ontheffing moet de herontwikkeling binnen dit supranationaal wettelijk kader een overredend belang dienen, te weten bescherming van de flora en fauna; bescherming van de volksgezondheid of openbare veiligheid; of een dwingende reden die een groot openbaar belang dient, met inbegrip van economische of sociale belangen. Werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling worden beslist niet als overredend belang gezien. De Europese Habitatrichtlijn stelt voorts dat een ontheffing voor een ruimtelijke ingreep alleen wordt verleend als er geen alternatief voorhanden is.

10. Welk overredend belang dient de herontwikkeling van de landgoederen in de Schiezone, met inachtneming van de Europese Habitatrichtlijn?

11. Welke alternatieven voor de herontwikkeling van de landgoederen zijn er door het college overwogen en als onvoldoende bevonden en wat zijn de redenen hiervoor geweest?

De landgoederen zijn als foerageergebied essentieel voor de gewone grootoorvleermuis, de gewone dwergvleermuis en de watervleermuis, en als vliegroute van groot belang voor de rosse vleermuis. In het onderzoek wordt gesteld:

“Het kappen van bomen, het dunnen van bossen en het verwijderen van de ondergroei, dood hout en sierheesters kan schadelijk zijn voor vleermuizen. Met andere woorden, de kans is aannemelijk dat de verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet met voeten worden getreden. Het oordeel van een deskundig ecoloog is derhalve van groot belang.” (pp.33)

12. Gaat het college in op de aanbeveling van de uitvoerder van het onderzoek naar vleermuizen om een ecologisch werkprotocol op te stellen (zie pp.36), teneinde de herontwikkeling in goede banen te leiden?

Indien nee, waarom niet? Indien ja, is het college bereid haartoezegging op dit punt aan de Raad te doen toekomen?

Alle deelobjecten op De Tempel en Nieuw Rhodenrijs hebben de status van rijksmonument. Dit geldt ook voor de bijbehorende tuinen, ingericht in de traditionale Engelse landschapsstijl. Op de landgoederen staan zeer oude bomen inclusief de dikste en oudste eikenboom van de stad.

13. Hoe rijmt het college de voorgenomen bomenkap met de status van rijksmonument dat aan de tuinen van de landgoederen is toebedeeld?

14. Kan het college garanderen dat er geen monumentale bomen op de landgoederen worden gekapt?

De Natuurschoonwet 1928 biedt fiscale voordelen aan eigenaars van landgoederen, met als doel het behoud van natuurschoon. Zo moet een landgoed minimaal voor dertig procent uit bos of natuur bestaan om voor het gunstige belastingregime in aanmerking te komen. De wet is oorspronkelijk in het leven geroepen om massale bomenkap tegen te gaan.

15. Vallen de landgoederen in de Schiezone onder de Natuurschoonwet 1928? Indien ja, wordt na de voorgenomen herontwikkeling voldaan aan de voorwaarden die in de wet worden gesteld?

In de 'Kredietaanvraag investering landgoederen Nieuw Rhodenrijs en De Tempel' (kenmerk 13gr3320) wordt het als essentieel geacht de tuinen weer een publieke bestemming te geven. In het verlengde hiervan wordt aangegeven dat de landgoederen een belangrijke schakel vormen in het Natuur- en Recreatieplan Schiezone.

16. Hoe wordt volgens het college in het inrichtingsplan geborgd dat de landgoederen publiekelijk toegankelijk blijven en een belangrijke schakel vormen in het vigerende natuur- en recreatieplan?

Ik zie uw beantwoording met belangstelling tegemoet.

Indiendatum: nov. 2015
Antwoorddatum: 24 mrt. 2016

Op 13 november 2015 stelde het raadslid J.D. van der Lee (Partij voor de Dieren) ons schríftelijke vragen over de herontwikkeling van plangebied Landgoederen Schiezone, te weten landgoederen De Tempel en Nieuw Rhodenrijs in het buitengebied van Overschie, alsmede de dramatische gevolgen dat dit zal hebben voor de vleermuizen die in het plangebied leven.

Inleidend wordt gesteld:
“De Partij voor de Dieren in Rotterdam maakt zich grote zorgen over de herontwikkeling van plangebied Landgoederen Schiezone, te weten de landgoederen De Tempel en Nieuw Rhodenrijs in het buitengebied van Overschie, alsmede de dramatische gevolgen dat dit zal hebben voor de vleermuizen die in het plangebied leven. Van de Vogel- Vleermuis- en Vlinderwerkgroep Noordrand hebben wij vernomen dat de landgoederen
belangrijk zijn voor de staat van instandhouding van vleermuissoorten aan de noordrand van Rotterdam. De Tempel is bijvoorbeeld al sinds de tachtiger járen een vleermuisreservaat voor ten minste vijf van de zeventien soorten die in Nederland voorkomen. Onder andere de watervleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en de rosse vleermuis komen voor in het plangebied.”

Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:

Vraag 1:
Wie is eigenaar van voornoemde landgoederen in de Schiezone?

Antwoord:
De gemeente Rotterdam.

Vraag 2:
Wie heeft opdracht gegeven tot herontwikkeling van de landgoederen?

Antwoord:
Het college van Burgemeester en Wethouders.

Inleidend op vraag 3 wordt gesteld:
“De herontwikkeling van het plangebied is aanstaande. Daarom is er in opdracht van de gemeente Rotterdam zeer recent een inrichtingsplan opgesteld. Ook is er een rooiplan voorhanden, dat ertoe dient te inventariseren welke bomen moeten worden gekapt. Voor de eerste fase van de herontwikkeling achten de planmakers het namelijk nodig bijna honderd bomen te kappen. Er wordt tevens flink wat ondergroei verwijderd. Naast het inrichtings- en rooiplan is er in het kader van de Flora- en faunawet (aanvullend) onderzoek uitgevoerd naar de vleermuizen in het plangebied, waarvan de resultaten eind vorig jaar zijn gepubliceerd. Het college heeft het inrichtings- en rooiplan en het onderzoek over vleermuizen niet met de Raad gedeeld.”

Vraag 3:
Is het college bereid het inrichtingsplan en rooiplan met betrekking tot de eerste fase van de herontwikkeling van plangebied Landgoederen Schiezone te doen toekomen aan de Raad? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
De landgoederen zijn geen openbaar gebied. Er wordt daarom wel een ontwerp gemaakt maar geen inrichtingsplanprocedure doorlopen. Na goedkeuring van de plannen door het college zullen de plannen worden toegestuurd aan de raad.

Vraag 4:
Is het college bereid het onderzoek over vleermuizen te doen toekomen aan de Raad? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja, momenteel wordt echter eerst nog naar aanleiding van de rondgang die met een aantal experts van lokale werkgroepen op het gebied van vogels en vleermuizen heeft plaatsgevonden nader onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van vleermuizen. Wanneer dit onderzoek gereed is, zal dit aan de raad ter beschikking worden gesteld.

Dan wordt gesteld:
"De notie ‘eerste fase’ veronderstelt dat er ten minste nog een fase volgt. Wij kunnen evenwel slechts gissen wanneer een volgende fase wordt ingezet en of een eventuele fase afhangt van bepaalde afwegingen die het college of de ontwikkelaar zou kunnen maken.”

Vraag 5:
Is het college bereid de Raad per brief te informeren over de verdere stappen die zij neemt met betrekking tot herontwikkeling van De Tempel en Nieuw Rhodenrijs? Indien nee, waarom niet? Indien ja, is het college bereid expliciet te vermelden wat het effect is op de flora en fauna in het plangebied?

Antwoord:
Ja, de raad zal nadat besluitvorming in het college heeft plaatsgevonden per brief geïnformeerd worden, waarbij verdere stappen worden toegelicht. Hierbij zal het college duidelijk maken welke afweging is gemaakt in het herstel van het cultureel erfgoed ten opzichte van de effecten op de flora en fauna.

Inleidend op vraag 6 wordt gesteld:
“De Tempel en Nieuw Rhodenrijs zullen na de herinrichting door een stichting worden geëxploiteerd als een woonplek voor zorgbehoevenden.”

Vraag 6:
Heeft de herontwikkeling van de landgoederen te maken met de specifieke zorgfunctie die door de exploitant zal worden uitgeoefend? Indien ja, waarom denkt het college dat de ruimtelijke ingreep aansluit op de behoeften van zorgbehoevenden? Indien nee, waarom worden er bomen gekapt?

Antwoord:
De zorgfunctie zorgt er voor dat de gebouwen op de Tempel kunnen worden opgeknapt/gerestaureerd en herontwikkeld. Bovendien zorgt de zorgfunctie er voor dat er budget beschikbaar komt voor het onderhoud van de tuinen. Bestendig gebruik van de landgoederen is een belangrijke voorwaarde voor de duurzame instandhouding van dit cultureel erfgoed.
Aan de ruimtelijke ingreep liggen drie redenen ten grondslag: herstel van het cultuurmonument (de tuinen), geschikt maken voor recreatie en faciliteren van de zorgfunctie.
Het kappen van bomen komt afgezien van enkele bomen rond het hoofdgebouw van Nieuw Rhodenrijs niet voort uit het gebruik van de gebouwen voor de zorgfunctie, maar is nodig ten gevolge van achterstallig onderhoud en het herstel van het cultuurmonument. Doordat het beheer jarenlang minimaal is geweest en een tijd lang ook vanuit sociale projecten is gedaan zonder visie op de instandhouding van het
monument, zijn de oorspronkelijk bedoelde ruimtelijke structuur en de ruimtelijke variatie van met name het bos aangetast.

Dan wordt gesteld:
“Het huidige bomenareaal op de landgoederen is een zeer geschikte habitat voor vleermuizen. Zoals de plannen er nu voor liggen wordt deze habitat onherstelbaar beschadigd. Er worden weliswaar nieuwe bomen aangeplant, maar het is nog maar de vraag of die als habitat kunnen dienen voor vleermuizen. Alle soorten vleermuizen die voorkomen op de landgoederen zijn opgenomen in Tabel 3 van de Flora- en faunawet.
Zij genieten de hoogste bescherming die de wet biedt. Volgens het onderzoek naar vleermuizen op de landgoederen is geconstateerd dat er veertien paarverblijfplaatsen aangetroffen, waarvan het overgrote deel in bomen. Ook zijn er zomerverblijfplaatsen geconstateerd, alle op landgoed De Tempel. In het onderzoek wordt gesteld:
“Het aanvragen van een ontheffing Flora- en faunawet is niet nodig indien de verblijfbomen (de bomen met zomer- en paarverblijfplaatsen) blijven behouden, alsook alle grotere en oudere bomen binnen een straal van 20 meter rondom de aangetroffen verblijfsbomen.” (pp. 36)”

Vraag 7:
Zijn er volgens het college in het rooiplan bomen opgenomen die bekend staan als verblijfplaatsen van vleermuizen? Indien ja, heeft het college een ontheffing aangevraagd in het kader van de Flora- en faunawet?

Antwoord:
De stappen die binnen het project gezet worden zijn er op gericht waar mogelijk het kappen van bomen die bekend staan als verblijfplaatsen van vleermuizen te voorkomen. Daarom heeft er onder andere een rondgang met vleermuisexperts plaatsgevonden om te controleren of alle bomen met verblijfplaatsen in beeld zijn en wordt aanvullend onderzoek gedaan. In het huidige rooiplan zijn geen bomen opgenomen die bekend staan als verblijfplaats van vleermuizen. Indien aantasting van vleermuishabitat toch onvermijdelijk is zal een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet aangevraagd worden.

Inleidend op vraag 8 wordt gesteld:
“Voor het aanvragen van een ontheffing voor soorten genoemd in Tabel 3 van de Flora- en faunawet kan een gedragscode worden gebruikt die goedgekeurd is door het Rijk.”

Vraag 8:
Wordt er bij de herontwikkeling van de landgoederen een gedragscode gehanteerd die door het Rijk is goedgekeurd? Indien nee, waarom niet? Indien ja, welke gedragscode is dit?

Antwoord:
Ja, we gaan werken met een goedgekeurde gedragscode, namelijk de Zoetermeerse gedragscode Flora- en Faunawet. Op 3 juli 2015 heeft staatssecretaris Sharon Dijksma van Economische Zaken deze gedragscode goedgekeurd.
De gedragscode geeft aan hoe de gemeente bouw-, beheer- en onderhoudswerk moet uitvoeren om schade aan beschermde plant- en diersoorten te voorkomen. De regels uit de code moeten verplicht gevolgd worden bij de aanbesteding en de uitvoering van alle
werkzaamheden in de openbare ruimte in opdracht van de gemeente. Door te werken volgens de gedragscode heeft de gemeente voor bouw- of onderhoudswerkzaamheden geen ontheffing van de minister van Economische Zaken nodig. De nieuwe gedragscode is vijf jaar geldig.

Dan wordt gesteld:
“In het onderzoek wordt voorts gesteld: “Niet kan worden uitgesloten dat er, ondanks onderzoek ook in de winter van 2014, toch winterverblijfplaatsen in bomen aanwezig zijn. Dieren zijn dieper weggekropen in grote holten en niet alle holten konden worden onderzocht.”(pp. 36)”

Vraag 9:
Is het überhaupt mogelijk de landgoederen te herontwikkelen, al dan niet door gebruik te maken van een ontheffing in het kader van de Flora en faunawet, als niet kan worden vergewist dat er geen schade aan de habitat van vleermuizen wordt aangebracht?

Antwoord:
Als het aanvullend vleermuisonderzoek daar aanleiding toe geeft zullen de plannen zodanig worden bijgesteld dat schade aan de habitat van vleermuizen zoveel mogelijk wordt vermeden. Indien aantasting van vleermuishabitat toch onvermijdelijk is zal een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet aangevraagd worden.

Inleidend op vraag 10 wordt gesteld:
“De vleermuizensoorten komen ook voor op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Hiervoor gelden verregaande verplichtingen ten aanzien van de te nemen beschermingsmaatregelen. Voor een ontheffing moet de herontwikkeling binnen dit supranationaal wettelijk kader een overredend belang dienen, te weten bescherming van de flora en fauna; bescherming van de volksgezondheid of openbare veiligheid; of een dwingende reden die een groot openbaar belang dient, met inbegrip van economische of sociale belangen. Werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling worden beslist niet als overredend belang gezien. De Europese Habitatrichtlijn stelt voorts dat een ontheffing voor een ruimtelijke ingreep alleen wordt verleend als er geen alternatief voorhanden is.”

Vraag 10:
Welk overredend belang dient de herontwikkeling van de landgoederen in de Schiezone, met inachtneming van de Europese Habitatrichtlijn?

Antwoord:
Het overredend belang is de duurzame instandhouding van de rijksmonumenten en de openstelling van de tuinen voor bezoekers in het kader van de recreatieve ontwikkeling van de Noordrand Rotterdam (NB: De Tempel is reeds opengesteld terrein), en uiteindelijk óók de duurzame instandhouding van de vleermuispopulatie.
Bij het niet juist onderhouden van houtopstanden ontstaat aftakeling daarvan. Dit is niet alleen nadelig voor de kwaliteit van de bomen en het bos, en daarmee ook voor de structuur van het rijksmonumentale landgoed en de recreatieve waarde, maar uiteindelijk ook voor de instandhouding van de vleermuispopulatie. Vleermuizen hebben grote, volwassen bomen nodig en om ervoor te zorgen dat we die ook in de toekomst op de landgoederen hebben moet er beheer plaatsvinden. Dit houdt in dat oudere bomen behouden blijven en gezonde jonge bomen ruimte krijgen om zich te ontwikkelen tot oude bomen. Om jonge bomen die ruimte te geven zullen er bomen uit het bos gekapt moeten worden. Normaal gesproken is dat onderdeel van het reguliere beheer, maar omdat dat de laatste járen onvoldoende is geweest, is er nu sprake van een veel te dicht gegroeid bos en moet een inhaalslag plaatsvinden.
In het ontwerp en in de wijze van uitvoering van het onderhoud wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de aanwezigheid van vleermuizen en worden ingrepen in hun habitat vermeden. Er zal altijd worden gewerkt volgens de gedragscode van de Flora-en faunawet en er geldt een ecologisch werkprotocol. Op enkele punten is het behoud van essentiële historische structuren van het landgoed in het geding of is sprake van een zeer slechte kwaliteit van de bomen waardoor deze een gevaar vormen voor bezoekers.
Daarom zal voor het plan ook een ontheffing worden aangevraagd en zal uiteraard compensatie plaatsvinden.

Vraag 11:
Welke alternatieven voor de herontwikkeling van de landgoederen zijn er door het college overwogen en als onvoldoende bevonden en wat zijn de redenen hiervoor geweest?

Antwoord:
In 2011 heeft de huurder Bouman GGZ het landgoed de Tempel verlaten, en is het landgoed Nieuw Rhodenrijs gedeeltelijk afgebrand. Beide landgoederen kampten daarna met leegstand. Vervolgens heeft Golden Years een gesprek gehad met de toenmalige wethouder Wonen, Ruimtelijke ordening, Vastgoed en Stedelijke economie over het realiseren van een woonfunctie voor ouderen op de landgoederen.
Op verzoek van wethouder zijn toen de gesprekken met Golden Years gestart, en is uiteindelijk de intentieovereenkomst afgesloten.
Wij hebben akkoord gegeven op de plannen, en krediet tot opknappen van de opstallen afgegeven.

Dan wordt gesteld:
“De landgoederen zijn als foerageergebied essentieel voor de gewone grootoorvleermuis, de gewone dwergvleermuis en de watervleermuis, en als vliegroute van groot belang voor de rosse vleermuis. In het onderzoek wordt gesteld: “Het kappen van bomen, het dunnen van bossen en het verwijderen van de ondergroei, dood hout en sierheesters kan schadelijk zijn voor vleermuizen. Met andere woorden, de kans is aannemelijk dat de verbodsbepalingen en de Flora en faunawet met voeten worden getreden. Het oordeel van een deskundig ecoloog is derhalve van groot belang. ”
(pp. 33)”

Vraag 12:
Gaat het college in op de aanbeveling van de uitvoerder van het onderzoek naar vleermuizen om een ecologisch werkprotocol op te stellen (zie pp. 36), teneinde de herontwikkeling in goede banen te leiden? Indien nee, waarom niet? Indien ja, is het college bereid haar toezegging op dit punt aan de Raad te doen toekomen?

Antwoord:
Ja, er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld waarin is beschreven in welke periode met welke activiteit met welke soortgroep rekening dient te worden gehouden en op welke wijze hiermee dient te worden omgegaan. Het ecologisch werkprotocol zal aan de raad worden toegestuurd.

Inleidend op vraag 13 wordt gesteld:
“Alle deelobjecten op De Tempel en Nieuw Rhodenrijs hebben de status van rijksmonument. Dit geldt ook voor de bijbehorende tuinen, ingericht in de traditionele Engelse landschapsstijl. Op de landgoederen staan zeer oude bomen inclusief de dikste en oudste eikenboom van de stad.”

Vraag 13:
Hoe rijmt het college de voorgenomen bomenkap met de status van rijksmonument dat aan de tuinen van de landgoederen is toebedeeld?

Antwoord:
De voorgenomen bomenkap is juist nodig om het rijksmonument in stand te houden. Door zeer beperkt onderhoud in de afgelopen decennia zijn er bomen en struiken gaan groeien die niet passen binnen de oorspronkelijke structuur van de tuinen. De ruimtelijke variatie in de tuinen is daardoor verloren gegaan. Het ontwerp brengt deze variatie terug. Ook staan in de bosdelen van de tuinen de bomen zo dicht op elkaar dat ze niet goed kunnen uitgroeien. Om ook in de toekomst gezonde bomen te houden zullen er in de bosdelen selectief bomen worden verwijderd.

Vraag 14:
Kan het college garanderen dat er geen monumentale bomen op de landgoederen worden gekapt?

Antwoord:
Er zijn zeven monumentale bomen op De Tempel (en geen op Nieuw Rhodenrijs). In de eerste fase worden er geen monumentale bomen gekapt. Wel is voorzien dat de vier kastanjes voor het hoofdgebouw van De Tempel in een volgende fase zullen worden gerooid. Eén van de kastanjes is al dood, een tweede is aan het afsterven. Deze bomen dienen gerooid te worden voordat deze twee bomen een gevaarlijke situatie opleveren. Omdat deze twee bomen samen aan één zijde van de symmetrische tuin staan, ontstaat er een onevenwichtig beeld indien de twee
overgebleven kastanjes zouden blijven staan. Ten aanzien van het rooien van de resterende twee kastanjes vindt momenteel nog overleg plaats met het Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Overwogen is om nieuwe kastanjes terug te planten. Er is navraag gedaan bij kwekers wat de mogelijkheden zijn. De conclusie is dat kastanjes erg kwetsbaar zijn voor ziekten, zeker als ze in de huidige vorm worden gesnoeid (gekandelaberd). De kans dat ze lang gezond zullen blijven en oud worden is klein. Een andere boomsoort heeft vanuit tuinhistorisch oogpunt geen meerwaarde. De bomen nemen bovendien veel licht weg uit het hoofdgebouw. De bomen maken ook geen deel uit van de eerste aanleg, maar zijn pas in de tweede helft van de 19e eeuw geplant. Gezien deze overwegingen is ervoor gekozen geen bomen terug te planten wanneer de kastanjes worden gekapt.

Dan wordt gesteld:
“De Natuurschoonwet 1928 biedt fiscale voordelen aan eigenaars van landgoederen, met als doel het behoud van natuurschoon. Zo moet een landgoed minimaal voor dertig procent uit bos of natuur bestaan om voor het gunstige belastingregime in aanmerking te komen. De wet is oorspronkelijk in het leven geroepen om massale bomenkap tegen te gaan.”

Vraag 15:
Vallen de langgoederen in de Schiezone onder de Natuurschoonwet 1928? Indien ja, wordt na de voorgenomen herontwikkeling voldaan aan de voorwaarden die in de wet worden gesteld?

Antwoord:
De landgoederen vallen nu niet onder de Natuurschoonwet 1928. Streven is de landgoederen wel onder de Natuurschoonwet 1928 te gaan laten vallen.

Inleidend op vraag 16 wordt gesteld:
“In de ‘Kredietaanvraag investering landgoederen Nieuw Rhodenrijs en De Tempel’ (kenmerk 13 gr3320) wordt het als essentieel geacht de tuinen weer een publieke bestemming te geven. In het verlengde hiervan wordt aangegeven dat de landgoederen een belangrijke schakel vormen in het Natuur- en Recreatieplan Schiezone.”

Vraag 16:
Hoe wordt volgens het college in het inrichtingsplan geborgd dat de landgoederen publiekelijk toegankelijk blijven en een belangrijke schakel vormen in het vigerende natuur- en recreatieplan?

Antwoord:
In zowel de tussen partijen afgesloten intentieovereenkomst als huurovereenkomst is opgenomen dat de tuinen en parken behorende bij de landgoederen bij gebruik door huurder tussen zonsopgang en zonsondergang worden opengesteld als openbaar wandelgebied. Van oudsher is het voor wat betreft Landgoed de Tempel zelfs kadestraal vastgelegd.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer