Gemeen­telijk klimaat­beleid in aanloop naar COP21


Indiendatum: okt. 2015

Binnenkort vindt in Parijs COP21 plaats, de internationale klimaattop dat binnen het raamwerkverdrag over klimaatverandering (UNFCCC) wordt georganiseerd. Na het Kyoto Protocol is het weer tijd voor een bindende afspraak over klimaatmitigatie. Want dat is hard nodig. Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) stelt dat we de opwarming van de aarde koste wat het kost moeten begrenzen tot twee graden Celsius boven pre-industrieel niveau, voordat de aantasting van ecosystemen onomkeerbaar wordt en we de zogenaamde 'tipping points' overschrijden. Binnen dertig jaar is dat doemscenario een feit, als we nu geen actie ondernemen.

1. Hoe omschrijft het college in haar eigen woorden de opgave waarover op de klimaattop in Parijs zal worden gedebatteerd?

2. Onderschrijft het college de mondiale doelstelling de opwarming van de aarde tot twee graden Celsius boven pre-industrieel niveau te begrenzen? Indien nee, waarom niet?

In de beantwoording van schriftelijke vragen gesteld door een lid van de Raad (kenmerk 15bb6513) werd duidelijk dat Rotterdam zich in het mondiale klimaatvraagstuk vertegenwoordigd weet door een aantal samenwerkingsverbanden, zoals C40, ICLEI, Eurocities, en zo verder. Het college schrijft: “Via de C40, ICLEI en andere netwerken zullen wij onze stem laten horen op de UN Klimaattop (COP21) in Parijs in december van dit jaar.”

3. Wat is voor respectievelijk C40, ICLEI, Eurocities en 'andere netwerken' de inzet op COP21 specifiek op het gebied van klimaatmitigatie, uitgedrukt in een hoeveelheid parts per million (ppm) of een maximale stijging in graden Celsius van de mondiale jaargemiddelde temperatuur in de toekomst?

4. Hoe worden beslissingen genomen binnen deze samenwerkingsverbanden met betrekking tot hun positionering in het klimaatdebat? Is er bijvoorbeeld sprake van een dagelijks bestuur dat door de leden is gemandateerd, of worden beslissingen genomen tijdens ledencongressen?

5. Op welke wijze manifesteert de gemeente Rotterdam zich in deze samenwerkingsverbanden?

6. Is er binnen de diverse samenwerkingsverbanden recent gesproken over de klimaatdoelstellingen waar op de aankomende klimaattop wordt ingezet? Indien ja, hoe luiden deze doelstellingen? Indien nee, hoe weet het college dat zij juist wordt gerepresenteerd?

7. Hoe klinkt de stem van het college op de klimaattop, zoals verwoord in de beantwoording van eerder gestelde vragen over het Rotterdamse klimaatbeleid?

8. Waarom is de gemeente geen lid van het samenwerkingsverband 'Compact of Mayors'? Is lidmaatschap overwogen maar niet als juist of wenselijk beoordeeld, of ligt er een andere reden aan ten grondslag?

ICLEI (Local Governments for Sustainability) – waar de gemeente dus lid van is – heeft onlangs haar onderhandelingspositie voor de beraadslagingen op COP21 gepubliceerd (1). Naast het propageren van de naleving van de uitgangspunten in het Compact of Mayors en het Compact of States and Regions (actie 7) wordt er tevens opgeroepen lokale overheden een grotere rol te laten spelen in het opstellen van landelijke klimaatmitigatiedoelstellingen (actie 5).

9. Onderschrijft het college de onderhandelingspositie van het ICLEI op de komende klimaattop? Indien nee, hoe is de positionering van het ICLEI tot stand gekomen? Indien ja, hoe denkt het college te gaan voldoen aan de acties die door het ICLEI worden voorgesteld?

In eerder debat over de klimaatdoelstellingen van de gemeente Rotterdam is veelvuldig kenbaar gemaakt dat het college zich niet geroepen voelt lokale maatregelen te nemen voor een mondiaal probleem. Klimaatmitigatie is voor het college hoogstens leuke bijvangst als gevolg van maatregelen ter bevordering van de luchtkwaliteit in de stad. Maar de samenwerkingsverbanden waar Rotterdam deel van uitmaakt zien wel degelijk het mondiale belang van lokaal stedelijk beleid voor het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Zo heeft C40 becijferd dat steden twee derde van de mondiale energieconsumptie en zeventig procent van de broeikasgasuitstoot voor haar rekening nemen. De stelling dat een lokaal klimaatmitigatiebeleid geen mondiale oplossing teweeg brengt, houdt dus geen stand. Bovendien dweept het college met de nieuwe aantrekkingskracht van Rotterdam, het vermogen van steden als laboratorium van innovatie en de rol van de burgemeester als belangrijke actor in het ontkiemen van positieve ontwikkelingen.

10. Is het college bereid haar eigen verantwoordelijkheid ten opzichte van het klimaatprobleem opnieuw te beoordelen, ten opzichte van hoe het nu in het collegeprogramma en Programma Duurzaam is verwoord? Indien nee, waarom niet?

Het college heeft al meerdere malen aangegeven niet een doelstelling voor klimaatmitigatie te willen hanteren zoals dat in het thans gemarginaliseerde Rotterdam Climate Initiative (RCI) aan de orde was. Wij blijven hierin hevig teleurgesteld, maar zullen niet naar de bekende weg vragen. Overigens maakt de gemeente op de website van ICLEI (2) nog steeds goede sier met de oude klimaatmitigatiedoelstellingen van het RCI, maar dit terzijde. Het college, daarentegen, gelooft wel in transitie. Dit vertaalt zich in doelstellingen van gemeentelijk beleid dat de oorzaak voor de uitstoot van broeikasgassen wegneemt.

11. Gaat het college een kwantificeerbare doelstelling hanteren met betrekking tot klimaatmitigatie in de stad, bijvoorbeeld uitgedrukt met de volgende indicatoren:

  • Het aantal megawatt duurzame energie dat wordt opgewekt;
  • Het aantal woningen met een A- of B-label;
  • Een afname van het autoverkeer;
  • Het aantal laadpalen voor elektrisch vervoer;
  • Het aantal insteekhavens dat is uitgerust met walstroom;

Onlangs heeft de burgemeester Jeremy Rifkin ingehuurd een plan te maken voor de toekomst van de metropoolregio Rotterdam-Den Haag. Rifkin stelt dat klimaatverandering de olifant in de kamer is als het aankomt op het maken van toekomstbestendig economisch beleid. Zeer recent, op 1 oktober jongstleden, heeft Rifkin geacteerd als key note speaker op de conferentie “The 2° Challenge, Climate is our Business” in Parijs. De conferentie is erkend als een integraal onderdeel van de klimaattop. Met Rifkin heeft de burgemeester blijkbaar een warm pleitbezorger binnengehaald van het aftoppen van de mondiale jaargemiddelde temperatuur tot twee graden Celsius boven pre-industrieel niveau.

12. Voelt het college zich door Rifkin vertegenwoordigd in zijn publieke optredens waar hij concrete klimaatmitigatiedoelen stelt?

13. Heeft de burgemeester aan Rifkin de opdracht meegegeven een plan voor de metropoolregio te maken dat correspondeert met de 2° Challenge? Indien nee, waarom niet?

14. Heeft de burgemeester Rifkin geïnformeerd dat zijn plan eveneens moet corresponderen met de wettelijke eis om de uitstoot van broeikasgassen met 25 procent te doen verminderen in 2020 ten opzichte van 1990?

Wij zouden het zeer op prijs stellen als het college de beantwoording van deze vragen nog voor de behandeling van de begroting (12/11) aan de raad kan doen toekomen.

(1) http://www.iclei.org/fileadmin/user_upload/ICLEI_WS/Documents/advocacy/COP21/LGCR_Towards_COP21_Positions_and_Calendar_July2015.pdf

(2) http://www.iclei-europe.org/members/member-in-the-spotlight/archive/rotterdam/

Indiendatum: okt. 2015
Antwoorddatum: 1 dec. 2015

Op 13 oktober 2015 stelden de raadsleden J.D. v.d. Lee (Partij voor de Dieren) en A. Peksert (NIDA) ons schriftelijk vragen over het gemeentelijk klimaatbeleid en COP21.

Inleidend wordt door de vragenstellers gesteld:

"Binnenkort vindt in Parijs COP21 plaats, de internationale klimaattop die binnen het raamwerkverdrag over klimaatverandering (UNFCCC) wordt georganiseerd. Na het Kyoto Protocol is het weer tijd voor een bindende afspraak over klimaatmitigatie. Want dat is hard nodig. Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) stelt dat we de opwarming van de aarde koste wat het kost moeten begrenzen tot twee graden Celsius boven pre industrieel niveau, voordat de aantasting van ecosystemen onomkeerbaar wordt en we de zogenaamde 'tipping points' overschrijden. Binnen dertig jaar is dat doemscenario een feit, als we nu geen actie ondernemen,"

Aansluitend heeft men de in het onderstaande genoemde vragen 1 tot en met 14 aan het college gesteld.

Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:

Vraag 1:
Hoe omschrijft het college in haar eigen woorden de opgave waarover op de klimaattop in Parijs zal worden gedebatteerd?

Antwoord:
De opgave is zoals u hier schetst. Doel van de conferentie is te komen tot een nieuw klimaatakkoord met afspraken die ervoor moeten zorgen dat de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen dusdanig wordt verminderd dat de gemiddelde temperatuur op aarde deze eeuw niet meer dan twee graden Celsius stijgt.

Vraag 2:
Hoe onderschrijft het college de mondiale doelstelling de opwarming van de aarde tot twee graden Celsius boven pre-industrieel niveau te begrenzen? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Het college onderschrijft deze mondiale doelstelling.

Vraag 3 wordt door de vragenstellers als volgt ingeleid:
"In de beantwoording van schriftelijke vragen gesteld door een lid van de Raad (kenmerk 15bb6513) werd duidelijk dat Rotterdam zich in het mondiale klimaatvraagstuk vertegenwoordigd weet door een aantal samenwerkingsverbanden, zoals C40, ICLEI, Eurocities, en zo verder. Het college schrijft: Via de C40, ICIEI en andere netwerken zullen wij onze stem laten horen op de UN Klimaattop (COP21) in Parijs in december van dit jaar."

Vraag 3:
Wat is voor respectievelijk C40, ICLEI, Eurocities en 'andere netwerken' de inzet op COP21 specifiek op het gebied van klimaatmitigatíe, uitgedrukt in een hoeveelheid parts per million (ppm) of een maximale stijging in graden Celsius van de mondiale jaargemiddelde temperatuur in de toekomst?

Antwoord:
De inzet van deze organisaties omvat geen concrete doelstelling specifiek voor steden ten aanzien van een hoeveelheid (ppm) of een maximale mondiale temperatuurstijging. Wel worden steden via het ondertekenen van het zogeheten Compact of Mayors, gevraagd om hun commitment af te geven voor de strijd tegen klimaatverandering. Hiermee geven de steden in Parijs een signaal af aan de onderhandelaars om in de te maken afspraken, expliciet de rol van lokale organisaties (waaronder lokale overheden) te benoemen. Zij zíjn cruciale partners bij de realisatie van klimaatdoelstellingen en het bevorderen van maatregelen op lokaal niveau en dienen toegang te hebben tot goede financieringsinstrumenten om maatregelen te kunnen nemen. Ook is het van groot belang dat de wet- en regelgeving, zodanig is ingericht dat de steden hun mogelijkheden om bij te dragen aan het bereiken van de klimaatdoelsteilingen maximaal kunnen benutten.

Vraag 4:
Hoe worden beslissingen genomen binnen deze samenwerkingsverbanden met betrekking tot hun positionering in het klimaatdebat? Is er bijvoorbeeld sprake van een dagelijks bestuur dat door de leden is gemandateerd, of worden beslissingen genomen tijdens ledencongressen?

Antwoord:
De genoemde samenwerkingsverbanden hebben elk de vorm van stuurgroep bestaande uit bestuurders van een deelverzameling van de aangesloten steden. Deze stuurgroepen stellen de agenda's vast van de ledenvergaderingen die met enige regelmaat worden gehouden. Dit
wordt praktisch voorbereid door een professionele staf. Op deze vergaderingen worden de belangrijke strategische beslissingen genomen, waaronder de positionering in het klimaatdebat.

Vraag 5:
Op welke wijze manifesteert de gemeente Rotterdam zich in deze samenwerkingsverbanden?

Antwoord:
Rotterdam is in elk van deze samenwerkingsverbanden een actieve deelnemer. Zo is de wethouder Mobiliteit, Duurzaamheid en Cultuur binnen ICLEI lid van het Regional Executive Committee voor Europa. In die hoedanigheid is hij ook lid van de Global Council. Op de Annual General Meetings van Eurocities is Rotterdam bestuurlijk vertegenwoordigd en nemen wij ambtelijk deel aan de diverse ambtelijke forums (cultuur, economie, sociale zaken en milieu). Binnen de C40 is Rotterdam een zogenaamde "innovator" city. Dit zijn steden die kleiner zijn dan de "mega cities" (grofweg > 3 min inwoners) maar die internationaal erkend zijn als koplopers op het gebied van klimaatverandering en duurzaamheid. Rotterdam trekt binnen de C40 het samenwerkingsverband van deltasteden "Connecting Delta Cities"

Vraag 6:
Is er binnen de diverse samenwerkingsverbanden recent gesproken over de klimaatdoelstellingen waar op de aankomende klimaattop wordt ingezet? Indien ja, hoe luiden deze doelstellingen? Indien nee, hoe weet het college dat zij juist wordt gerepresenteerd?

Antwoord:
Zie ons antwoord op bovenstaande vraag 3.

Vraag 7:
Hoe klinkt de stem van het college op de klimaattop, zoals verwoord in de beantwoording van eerder gestelde vragen over het Rotterdamse klimaatbeleid?

Antwoord:
Steden en regio's zijn belangrijke partners voor landen bij de uitvoering van maatregelen in de strijd tegen klimaatverandering. Meer dan in voorgaande jaren wordt dit nu erkend. Wij hebben aan het rijk aangeboden om de Nederlandse inbreng in Parijs te ondersteunen door onze visie op de aanpak van de klimaatcrisis te geven. Daarbij geven wij aan dat een goede aanpak niet alleen bijdraagt aan de wereldwijde strijd tegen klimaatverandering maar juist ook lokaal lonend is.
Zoals u weet heeft Rotterdam veel ervaring met het anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering en het nemen van maatregelen die moeten leiden tot een duurzame, groene, schone, (water)veilige en economisch sterke stad. Met een groot aantal van de in het concept Rotterdamse programma Duurzaam 2015-2018 opgenomen maatregelen, leveren wij een belangrijke bijdrage aan het verminderen van de C02-emissie van Nederland. Dit gebeurt via energiebesparing, door maatregelen in de gebouwde omgeving, het verkeer, hergebruik van industriële restwarmte en via het stimuleren van duurzame energieopwekking met behulp van zon, wind en biomassa. Daarbij gaat het in Rotterdam primair om een schonere energievoorziening tegen lagere kosten en om schone lucht.
Steden spelen bij deze ontwikkelingen een zeer belangrijke rol bij de uitvoering van maatregelen. Wij zullen dit in Parijs benadrukken en pleiten voor meer ondersteuning van steden bij deze uitvoering. Belemmerende wet- en regelgeving moet worden weggenomen en er moeten echte financiële prikkels voor verduurzaming komen. Enerzijds door C02 uitstoot te beprijzen, bijvoorbeeld door een goedwerkend emissiehandelssysteem, en anderzijds door meer en eenvoudiger toegankelijke fondsen voor verduurzaming en innovatie.

Vraag 8:
Waarom is de gemeente geen lid van het samenwerkingsverband 'Compact of Mayors'? Is lidmaatschap overwogen maar niet als juist of wenselijk beoordeeld, of ligt er een andere reden aan ten grondslag?

Antwoord:
Het Compact of Mayors zien wij als een krachtig pleidooi van steden van over de hele wereld voor het serieus werk maken van de strijd tegen klimaatverandering. Dit ondersteunt tevens onze oproep aan de landen om de steden te ondersteunen bij het nemen van concrete maatregelen. De burgemeester zal de Compact of Mayors daarom ondertekenen.

Voorafgaand aan vraag 9 stellen de vragenstellers:
"ICLEl (Local Governments for Sustainability) - waar de gemeente lid van is - heeft onlangs haar onderhandelingspositie voorde beraadslagingen op COP21 gepubliceerd1. Naast het propageren van naleving van de uitgangspunten in het Compact of Mayors en het Compact of States and Regions (actie 7) wordt er tevens opgeroepen lokale overheden een grotere rol te laten spelen in het opstellen van landelijke klimaatmitigatiedoelstellingen (actie 5)."

Vraag 9:
Onderschrijft het college de onderhandelingspositie van het ICIEI op de komende klimaattop? Indien nee, hoe is de positionering van het ICIEI tot stand gekomen? Indien ja, hoe denkt het college te gaan voldoen aan de acties die door het ICIEI worden voorgesteld?

Antwoord:
Het college onderschrijft deze onderhandelingspositie en zal hierover in ICLEI verband maar ook rechtstreeks met het rijk het gesprek aangaan.

Voor vraag 10 verwijzen de vragenstellers naar een eerder debat over klimaatdoelstellingen:
"In eerder debat over de klimaatdoelstellingen van de gemeente Rotterdam is veelvuldig kenbaar gemaakt dat het college zich niet geroepen voelt lokale maatregelen te nemen voor een mondiaal probleem. Klimaatmitigatie is voor het college hoogstens leuke bijvangst als gevolg van maatregelen ter bevordering van de luchtkwaliteit in de stad. Maar de samenwerkingsverbanden waar Rotterdam deel van uitmaakt zien wel degelijk het mondiale belang van lokaal stedelijk beleid voor het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen.
Zo heeft C40 becijferd dat steden twee derde van de mondiale energieconsumptie en zeventig procent van de broeikasgasuitstoot voor haar rekening nemen. De stelling dat een lokaal klimaatmitigatiebeleid geen mondiale oplossing teweeg brengt, houdt dus geen stand.
Bovendien dweept het college met de nieuwe aantrekkingskracht van Rotterdam, het vermogen van steden ais laboratorium van innovatie en de rol van de burgemeester als belangrijke actor in het ontkiemen van positieve ontwikkelingen."


Vraag 10:
Is het college bereid haar eigen verantwoordelijkheid ten opzichte van het klimaatprobleem opnieuw te beoordelen, ten opzichte van hoe het nu in het collegeprogramma en Programma Duurzaam is verwoord? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Met het uitvoeren van de maatregelen die zijn opgenomen in het programma Duurzaam levert Rotterdam een belangrijke bijdrage aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Tevens worden maatregelen genomen die anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Hiermee dragen wij bij aan de doelstellingen die nationaal en in Europees verband zijn afgesproken. Op dit moment zien wij geen reden om onze verantwoordelijkheid in de klimaataanpak opnieuw te beoordelen.

De inleiding op vraag 11 van vragenstellers is:
"Het college heeft al meerdere malen aangegeven niet een doelstelling voor klimaatmitigatie te willen hanteren zoals dat in het thans gemarginaliseerde Rotterdam Climate Initiative (RCl) aan de orde was. Wij blijven hierin hevig teleurgesteld, maar zullen niet naar de bekende weg vragen. Overigens maakt de gemeente op de website van ICIE12 nog steeds goede sier met de oude klimaatmitigatiedoelstellingen van het RCl, maar dit terzijde. Het college, daarentegen, gelooft wel in transitie. Dit vertaalt zich in doelstellingen van gemeentelijk beleid dat de oorzaak voor de uitstoot van broeikasgassen wegneemt."

Vraag 11:
Gaat het college een kwantificeerbare doelstelling hanteren met betrekking tot klimaatmitigatie in de stad, bijvoorbeeld uitgedrukt met de volgende indicatoren:

  • Het aantal megawatt duurzame energie dat wordt opgewekt.
  • Het aantal woningen met een A-of B-label.
  • Een afname van het autoverkeer.
  • Het aantal laadpalen voor elektrisch vervoer.
  • Het aantal insteekhavens dat ís uitgerust met walstroom.


Antwoord:
De indicatoren die het college op dit gebied hanteert, zijn opgenomen in het Programma Duurzaam. Binnenkort zullen wij u de Duurzaamheidmonitor 2014 doen toekomen die dient aís nulmeting voor het programma Duurzaam.

Met betrekking tot de betrokkenheid van Jeremy Rifkin wordt door Partij voor de Dieren en NIDA gevraagd:
"Onlangs heeft de burgemeester Jeremy Rifkin ingehuurd een plan te maken voor de toekomst van de metropoolregio Rotterdam-Den Haag. Rifkin stelt dat klimaatverandering de olifant in de kamer is als het aankomt op het maken van toekomstbestendig economisch beleid. Zeer recent, op 1 oktober jongstleden, heeft Rifkin geacteerd als key note speaker op de conferentie "The 2º Challenge, Climate is our Business" in Parijs. De conferentie is erkend als een integraal onderdeel van de klimaattop. Met Rifkin heeft de burgemeester blijkbaar een warm pleitbezorger binnengehaald van het aftoppen van de mondiale jaargemiddelde temperatuur tot twee graden Celsius boven pre-industrieel niveau."

Vraag 12:
Voelt het college zich door Rifkin vertegenwoordigd in zijn publieke optredens waar hij concrete klimaatmitigatiedoelen stelt?

Antwoord:
TIR Consulting Group, het adviesbureau van de heer Rifkin, ondersteunt de Metropoolregio Rotterdam Den Haag bij het maken van een roadmap voor de transitie naar de economie van de toekomst: de Roadmap Next Economy. Dit staat los van zijn optreden op 1 oktober in
Parijs. Hij zal alleen namens Rotterdam spreken wanneer dat expliciet met hem is afgesproken.

Vraag 13:
Heeft de burgemeester aan Rifkin de opdracht meegegeven een plan voor de metropoolregio te maken dat correspondeert met de
2º Challenge? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Bij de totstandkoming van de Roadmap Next Economy zullen alle belangrijke ontwikkelingen en kaders met betrekking tot de 'next economy' worden meegenomen. Daarbij zal ook het realiseren van een hernieuwbare energiehuishouding vanuit de economische invalshoek aan
de orde komen.

Vraag 14:
Heeft de burgemeester Rifkin geïnformeerd dat zijn plan eveneens moet corresponderen met de wettelijke eis om de uitstoot van broeikasgassen met 25 procent te doen verminderen in 2020 ten opzichte van 1990?

Antwoord:
Het is evident dat de Roadmap Next Economy moet passen binnen de kaders van wet- en regelgeving. Wanneer wet- en regelgeving belemmerend werkt, zal dat worden gesignaleerd.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer