Flora en fauna in plan­gebied Noor­delijk Niertje


Indiendatum: mrt. 2015

Geacht college,

Onlangs is het ontwerpbestemmingsplan van het gebied Noordelijk Niertje (Oost) besproken in de commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (BWB), met daarin het voornemen tot nieuwbouw van woningen. Eén van de insprekers bij dit agendapunt maakte melding van de bijzondere ecologische status van het plangebied. Volgens de inspreker zijn er bijzondere planten en orchideeën te vinden en is dit niet onopgemerkt gebleven bij ambtenaren van cluster Stadsbeheer belast met de buitenruimte. De Partij voor de Dieren weet dat het plangebied belangrijk is voor vleermuizen (e.g. ruige dwergvleermuis, watervleermuis) als foerageergebied en onderdeel uitmaakt van de vliegroute van en naar het Kralingse Bos. En navraag bij Bureau Stadsnatuur tenslotte leerde ons dat het zeer aannemelijk is dat de rietorchis in het plangebied aanwezig is. Bureau Stadsnatuur heeft de kennis en kunde in huis om onderzoek te doen naar de aanwezige flora en fauna. De rietorchis, anderzijds, is een wettelijk beschermde plant. Maar er kunnen natuurlijk nog andere beschermde planten in het plangebied groeien en bloeien. Het ligt derhalve in de lijn der verwachting dat een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet vereist is om de nieuwbouw te kunnen realiseren.

1. Kan het college aangeven wat de huidige stand van zaken is wat betreft de inventarisatie van de soortenrijkdom in het plangebied?

2. Denkt het college dat er een ontheffing van de Flora- en faunawet vereist is alvorens nieuwbouw in het plangebied kan worden gerealiseerd? Indien nee, waarom niet?

3. Is het college bereid om een onafhankelijk adviesbureau (zoals Bureau Stadsnatuur) in te schakelen een onderzoek naar de flora en fauna in het plangebied uit te voeren? Indien nee, waarom niet?

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) schrijft voor dat een gedegen toets van de aanwezige flora en fauna in een plangebied is vereist alvorens een bestemmingsplan kan worden vastgesteld, conform de verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet (artikelen 8 tot en met 12). In 2014 heeft de voorzieningenrechter meerdere keren geconcludeerd dat een bestemmingsplan in strijd was met de Flora- en faunawet omdat de zogenaamde ecologische quick scan niet kon uitsluiten dat er geen soorten met een beschermde status in het plangebied aanwezig waren.

Ondanks deze duidelijke juridische afbakening is de beschrijving van de aanwezige flora en fauna in het ontwerpbestemmingsplan op aannames gebaseerd. De Partij voor de Dieren maakt zich oprecht zorgen over de povere kwaliteit van het ontwerpbestemmingsplan op dit punt. Bijvoorbeeld, op pagina 33 van het ontwerpbestemmingsplan wordt gesteld:

“In het plangebied is mogelijk ook een aantal strikter beschermde diersoorten aanwezig“.

4. Wat betekent dat, mogelijk? Zijn er misschien beschermde diersoorten aanwezig, of is het aannemelijk?

5. Hoe denkt het college te kunnen acteren op basis van de conclusie dat er 'mogelijk' beschermde diersoorten aanwezig zijn, uit oogpunt van de verplichting tot soortenbescherming?

Op pagina 33 van het ontwerpbestemmingsplan wordt eveneens gesteld:

“Het betreft hier echter geen essentieel gebied, omdat in de (directe) omgeving voldoende en betere alternatieven aanwezig zijn“.

6. Wie bepaalt normaliter wanneer een gebied al dan niet essentieel wordt geacht voor bepaalde soorten? En wie heeft in dit specifieke geval beoordeeld dat het gebied niet essentieel is?

7. Wanneer stelt het college dat een plangebied zich in de (directe) omgeving bevindt van alternatieve locaties?

Op pagina 33 van het ontwerpbestemmingsplan wordt eveneens gesteld:

“Het voorkomen van strikt beschermde plantensoorten is dan ook onwaarschijnlijk“.

8. Betekent dit dat het college niet kan uitsluiten dat er geen beschermde plantensoorten in het plangebied kunnen worden aangetroffen?

In 2014 heeft de gemeenteraad de Rotterdamse natuurkaart vastgesteld(1). Het plangebied Noordelijk Niertje (Oost) heeft hier de status 'Park (bos)' (zie p.12-13). De natuurkaart dient ertoe om de gebieden met een waardevolle ecologische en/of groene functie te waarborgen en besluitvorming in de gemeente Rotterdam hierop af te stemmen.

9. Hoe denkt het college de status van het plangebied zoals vastgelegd in de Natuurkaart 2014 te kunnen waarborgen?

(1) http://www.rotterdam.nl/Clusters/Stadsontwikkeling/Document%202014/Milieu010/Natuurkaart_Rotterdam_2014.pdf

Indiendatum: mrt. 2015
Antwoorddatum: 1 jan. 1970

Op 12 maart 2015 stelde J.D. van der Lee (Partij voor de Dieren) ons schriftelijke vragen over flora en fauna in het plangebied Noordelijk Niertje Oost

Inleidend wordt gesteld:

Tijdens de behandeling van het bestemmingsplan Noordelijk Niertje (Oost) in de commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (d.d. 4 maart 2015) is als inspraakreactie door mevr. L. Eschauzier-van den Bosch aangegeven dat in het plangebied bijzondere planten en orchideeën te vinden zijn. Omdat het bestemmingsplan de realisatie van woningbouw aldaar mogelijk maakt, zou het kunnen dat de aanwezigheid van beschermde flora en fauna gevolgen heeft voor de woningbouwontwikkeling.

Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:

Vraag 1:
Kan het college aangeven wat de huidige stand van zaken is wat betreft de inventarisatie van de soortenrijkdom in het plangebied?

Antwoord:
Als bijlage bij het ontwerp bestemmingsplan is een flora- en faunatoets opgenomen. Dit onderzoek is begin 2013 uitgevoerd. Mede naar aanleiding van het signaal dat er mogelijk beschermde flora in het plangebied aanwezig zouden zíjn, is het eerder opgestelde onderzoek door de afdeling Milieu, Ruimte en Ondergrond (MRO) van Stadsontwikkeling onlangs geactualiseerd. Als bijlage bij deze beantwoording treft u dit
onderzoek aan. Ten behoeve van de actualisatie is het plangebied recent tweemaal bezocht, is de natuurdatabase opnieuw geraadpleegd en heeft over de aanwezigheid van orchideeën nader overleg plaatsgevonden tussen MRO en mevr. L. Eschauzier-van den Bosch (inspreker tijdens commissievergadering). Tevens heeft MRO met de Stichting Landschapsonderhoud Rotterdam (SLR) overleg gevoerd. Deze stichting gebruikt het plangebied regelmatig om, in opdracht van de gemeente, zaadmateriaal te winnen. Daarmee is de stichting bekend met de aanwezige flora in het plangebied.

In de natuurdatabase zijn actuele waarnemingen van wettelijk beschermde soorten planten en dieren opgenomen, die door Bureau Stadsnatuur (bSR) zijn verzameld. In opdracht van cluster Stadsbeheer inventariseert bSR driejaarlijks alle door de gemeente beheerde groenvoorzieningen. De randen van het plangebied (bomensingels) vallen daar ook onder. Daarnaast zijn in de natuurdatabase ook waarnemingen opgenomen van projecten waar bSR inventarisatiewerkzaamheden voor heeft uitgevoerd in opdracht van het cluster Stadsontwikkeling. Naast de wettelijk (strikt) beschermde soorten, zijn van een aantal soortgroepen ook waarnemingen van Rode Lijstsoorten opgenomen in de natuurdatabase.

Met de geactualiseerde flora- en faunatoets is een zeer recente inventarisatie van de soortenrijkdom aanwezig. Dit onderzoek samenvattend kan worden gesteld dat de aanwezigheid van strikt beschermde soorten flora is uitgesloten. Tijdens een van de veldbezoeken is de niet strikt beschermde Brede wespenorchis aangetroffen. Gelet op de biotoop, de gegevens uit de databestanden en de reactie van de SLR worden strikt
beschermde soorten orchideeën uitgesloten geacht. Het onderzoek sluit ook de aanwezigheid van strikt beschermde soorten grondgebonden zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen, insecten en weekdieren uit. Tijdens het broedseizoen kan het plangebied in zijn huidige staat door vogels gebruikt worden. Jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels zijn echter uitgesloten. De kap van bomen kan
derhalve alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd worden. Voorts toont het onderzoek aan dat het plangebied mogelijk fungeert als foerageergebied voor vleermuizen en dat met name de bomensingeî langs de Kralingse Zoom kan fungeren als vliegroute. Het foerageergebied is, gelet op de aanwezigheid van de vele achtertuinen en de nabijheid van het Kralingse Bos, niet aan te merken als essentieel gebied. Omdat daarbij de bomensingel buiten het plangebied valt, worden er in het onderzoek vanuit de flora- en faunawetgeving geen belemmeringen gesignaleerd.

Vraag 2:
Denkt het college dat er een ontheffing van de Flora- en faunawet vereist ís alvorens nieuwbouw in het plangebied kan worden gerealiseerd. Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Zowel het onderzoek uit 2013 als het geactualiseerde onderzoek tonen aan dat bij handhaving van de bomensingel langs de Kralingse Zoom geen nader onderzoek of een mogelijk ontheffingstraject nodig is. Zoals blijkt uit de verbeelding van het bestemmingsplan maakt deze bomensingel geen onderdeel maakt van het bestemmingsplangebied. In het ontwerp bestemmingsplan is nadrukkelijk aangegeven dat deze structuur gehandhaafd blijft. Een ontheffing is derhalve niet vereist.

Vraag 3:
Is het college bereid om een onafhankelijk adviesbureau (zoals Bureau Stadsnatuur) in te schakelen om een onderzoek naar de flora en fauna in het plangebied uit te voeren. Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Indien er aanleiding is schakelt gemeente Rotterdam externe onderzoeksbureaus in. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan indien er op basis van een verkennend onderzoek, zoals een flora- en faunatoets, blijkt dat er aanleiding is voor nader onderzoek. Zowel in het oorspronkelijke onderzoek uit 2013 als in de recent geactualiseerde versie wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om een nader onderzoek te laten uitvoeren. Voorts ziet het college geen reden om de expertise en onafhankelijkheid van de afdeling MRO in twijfel te trekken. Zoals gesteld in de beantwoording van vraag 1 zijn de uitgevoerde onderzoeken overigens wel gebaseerd op gegevens van Bureau Stadsnatuur.

Vraag 4:
In het ontwerp bestemmingsplan is opgenomen dat "mogelijk ook een aantal strikter beschermde diersoorten aanwezig" is. Wat betekent mogelijk? Zijn er misschien beschermde diersoorten aanwezig, of is het aannemelijk?

Antwoord:
De bewuste uitspraak op bladzijde 33 van het ontwerp bestemmingsplan dat er mogelijk ook een aantal strikter beschermde diersoorten aanwezig zijn is gebaseerd op hoofdstuk 4 van de in 2013 uitgevoerde bestemmingsplantoets. Deze is als bijlage gepubliceerd bij het ontwerp bestemmingsplan en maakt daarmee onlosmakelijk onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

In de tekst onder de bewuste zinsnede is overigens een toelichting opgenomen. Zoals aldaar in het bestemmingsplan en in paragraaf 4.2.2 van de flora- en faunatoets wordt opgemerkt zijn er in het verleden waarnemingen gedaan van vleermuizen in het plangebied. Geconcludeerd is dat het grootste deel van het plangebied geen essentiële functie voor deze dieren zal hebben. Overigens zijn deze waarnemingen inmiddels ouder dan 3 jaar. Daarmee zijn de waarnemingen zodanig verouderd dat deze niet meer representatief mogen worden geacht. Het geactualiseerde onderzoek geeft aan dat er geen vleermuiswaarnemingen binnen het plangebied bekend zijn.

In het ontwerp bestemmingsplan is verder aangegeven dat er mogelijk beschermde vissen in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Omdat het planvoornemen niet toeziet op ingrepen in de bestaande watergangen heeft het planvoornemen geen effect op de mogelijk aanwezige vissen.

In antwoord op de vraag van raadslid J.D. van der Lee is het aannemelijk dat het plangebied fungeert als foerageergebied voor vleermuizen. Het is daarnaast mogelijk dat (strikt) beschermde vissen binnen het plangebied aanwezig zijn. In het onderzoek is gemotiveerd dat het planvoornemen geen effect op deze soorten heeft.

Vraag 5:
Hoe denkt het college te kunnen acteren op basis van de conclusie dat er 'mogelijk' beschermde diersoorten aanwezig zijn, uit oogpunt van de verplichting tot soortenbescherming?

Antwoord:
Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling wordt geen effect verwacht op beschermde dieren. Omdat geen effect wordt verwacht op beschermde dieren is het juridisch gezien minder belangrijk of deze dieren in het plangebied aanwezig zijn. Zoals gesteld in het antwoord op vraag 4 kunnen er mogelijk (strikt) beschermde vissen in het plangebied aanwezig zijn en is het aannemelijk dat het plangebied fungeert als
foerageergebied voor vleermuizen. Onder meer omdat het planvoornemen geen invloed heeft op één van deze twee mogelijke beschermde diersoorten is het minder van belang of er bijvoorbeeld daadwerkelijk (strikt) beschermde vissen aanwezig zijn. In de bestemmingsplantoets is daarom vastgesteld dat een ontheffing niet nodig is.

In zowel de 2013 versie als in de recent door MRO geactualiseerde flora- en faunatoets wordt expliciet aangegeven dat andere delen van het plangebied wel een significante functie kunnen hebben. Deze functies zijn zodanig van belang dat eerst nader onderzoek uitgevoerd dient te worden of maatregelen getroffen dienen te worden alvorens fysieke ingrepen uit te voeren in deze delen. Afhankelijk van de aard van de ingrepen zou het kunnen zijn dat ingrepen aldaar leiden tot een verplicht ontheffingstraject. Het betreffen hier de watergangen en de net buiten het plangebied gesitueerde bomensingeî langs de Kralingse Zoom. De voorgenomen planontwikkeling heeft echter betrekking op de
watergangen en de bomensingeî. Daarmee zijn er ten aanzien van de verplichting tot soortenbescherming geen gevolgen en is een mogelijk ontheffingstraject in dit geval niet aan de orde.

Vraag 6:
Wie bepaalt normaliter wanneer een gebied al dan niet essentieel wordt geacht voor bepaalde soorten? En wie heeft in dit specifieke geval beoordeeld dat het gebied niet essentieel is?

Antwoord:
Bij ruimtelijke ontwikkelingen bepalen normaliter de ecologen van de afdeling Milieu, Ruimte en Ondergrond (MRO) van Cluster Stadsontwikkeling (SO) middels een verkennend onderzoek (quickscan, plantoets) of er vanuit het oogpunt van natuurwetgeving (Flora- en Faunawet en Natuurbeschermingswet) noodzaak is tot nader onderzoek en of er een ontheffingsplicht is. Hiertoe wordt een verkennend onderzoek uitgevoerd. Een ecoloog is terzake deskundig en zal zich baseren op de karakteristieken van het plangebied en de omgeving in combinatie met de data in een natuurdatabase. In dit specifieke geval is de beoordeling gemaakt door twee ecologen van de afdeling MRO.

Vraag 7:
Wanneer stelt het college dat een plangebied zich in de (directe) omgeving bevindt van alternatieve locaties?

Antwoord:
Bij een beoordeling of het plangebied zich in de directe omgeving bevindt zijn omgevingsfactoren zodanig doorslaggevend dat het hanteren van generieke afstandsmaten niet mogelijk is. De stelling dat er in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden voor vleermuizen aanwezig zijn is daarom gedaan door een terzake deskundige, op basis van de analyse welke is beschreven in hoofdstuk 3 van de flora- en faunatoets. Aan de hand van beschikbare gegevens (natuurdatabase), de staat van de aanwezige bomen, de nabije aanwezigheid van veel tuinen en de nabijheid van het Kralingse bos is toen geconcludeerd dat het foerageergebied niet essentieel zal zijn. Deze conclusie is bevestigd in het recent geactualiseerde onderzoek.

Vraag 8:
In het ontwerp bestemmingsplan wordt eveneens gesteld: "Het voorkomen van strikt beschermde plantensoorten is dan ook onwaarschijnlijk". Betekent dit dat het college niet kan uitsluiten dat er geen beschermde plantensoorten in het plangebied kunnen worden aangetroffen?

Antwoord:
Op basis van de analyse welke is beschreven in hoofdstuk 3 van de flora- en faunatoets (versie 2013) is de uitspraak gedaan dat het voorkomen van strikt beschermde plantensoorten onwaarschijnlijk is. Deze formulering komt vaker voor in flora- en faunatoetsen en is dus niet vreemd. In het geactualiseerde onderzoek is in de samenvatting aangegeven dat het plangebied floristisch interessant is maar de kans dat er strikt beschermde soorten voorkomen uitermate klein is. De aanwezigheid van strikt beschermde planten, zoals bijvoorbeeld de rietorchis, wordt door de ecologen uitgesloten geacht. Op basis van het recent geactualiseerde onderzoek kan het college dus uitsluiten dat er momenteel geen strikt beschermde plantensoorten in het plangebied kunnen worden aangetroffen. Omdat natuur altijd in ontwikkeling is geeft MRO aan dat een verkennend onderzoek gemiddeld gezien elke 3 jaar geactualiseerd moet worden.
Deze beleidslijn wordt onderschreven in vaste jurisprudentie. Voor de periode na deze driejaar kunnen geen harde uitspraken worden gedaan.

Vraag 9:
Hoe denkt het college de status 'Park (bos)' van het plangebied zoals vastgelegd in de Natuurkaart 2014 te kunnen waarborgen?

Antwoord:
De status park (bos) is toegekend aan een groter gebied dan alleen het Noordelijk Niertje Oost. Een aanzienlijk deel van Kralingen is aangemerkt als park (bos), waarbij de naastliggende woonwijk Noordelijk Niertje geheel is aangemerkt. In het bestemmingsplan is gekozen een maximum aantal woningen vast te leggen, bij realisatie van dit maximum zal de dichtheid overeenkomen met de bestaande dichtheid in de rest
van het Noordelijk Niertje. Deze dichtheid maakt het niet onmogelijk het streefbeeld van park (bos) te bewerkstelligen, immers anders was de rest van het Noordelijk Niertje nooit aangewezen. In de verdere planvorming zal dit streefbeeld worden meegenomen.
De Natuurkaart Rotterdam is overigens vastgesteld op 18 maart 2014. Deze was dus nog niet bpsehikbaar toen het bestemmingsplan Noordelijk Niertje Oost als ontwerp is gepubl?eeerd. Bij bestemmingsplannen die na 18 maart 2014 worden opgesteld wordt de Natuurkaart vanaf de start planvorming als input gebruikt.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer