College LR-D66-CDA: #business_as_usual


3 oktober 2014

Op donderdag 25 september 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders in Rotterdam het Collegeprogramma en de begroting voor 2015 gepresenteerd. Het Collegeprogramma laat de plannen voor de komende vier jaar zien en de begroting bevat het financiële plaatje voor volgend jaar. Het motto van het college is #Kendoe, 'can do', een eigentijdse invulling van niet lullen maar poetsen. Wat ons betreft wordt er een hoop geluld. En wordt er verkeerd gepoetst. In dit commentaar gaan we in op de plannen van het college die gaan over hetgeen waar de Partij voor de Dieren voor staat: een groener en duurzamer Rotterdam, met oog voor mensen en dieren. Altijd op basis van mededogen, persoonlijke vrijheid en persoonlijke verantwoordelijkheid.

Het is als zoeken naar een speld in een hooiberg, maar laten we positief beginnen. In het Collegeprogramma wordt de ambitie uitgesproken Rotterdam groener te maken, met meer duurzaam vervoer en een betere luchtkwaliteit. Dit is hard nodig. Door hoge concentraties fijnstof en stikstofdioxide is de luchtkwaliteit in Rotterdam erbarmelijk. Daarom trekt het college meer geld uit voor duurzaam vervoer. Er komen nieuwe fietspaden bij, bestaande fietspaden worden opgelapt en er komen meer oplaadpunten voor elektrische auto's. Op de 's-Gravendijkwal worden vrachtauto's zoveel als mogelijk geweerd. Met de geleidelijke verduurzaming van het gemeentelijk wagenpark wekt het college de indruk haar voortrekkersrol serieus te nemen.

Maar het college heeft wat ons betreft boter op het hoofd. De 's-Gravendijkwal blijft een hoofdverkeersader en een gevaar voor omwonenden zonder de noodzakelijke overkapping. De uitbreiding van het hoofdwegennet – door aanleg van de A13/A16 en de Blankenburgtunnel – wordt onthaald als een welkome investering in de bereikbaarheid van de stad. Niet alleen de luchtkwaliteit zal hierdoor drastisch verslechteren, maar ook de natuur moet wijken. Op de Maasvlakte beginnen twee nieuwe kolencentrales proef te draaien, met alle gevolgen van dien. Een college dat écht werk wil maken van de luchtkwaliteit stelt harde targets. Bijvoorbeeld, de uitstoot van schadelijke stoffen is in 2018 ten opzichte van nu met 25% afgenomen.

Aan de voorkant zien de plannen van het college er op het eerste gezicht best aardig uit. Aan de achterkant wordt er kaalslag gepleegd. Duurzaamheid is het kind van de rekening. Hoewel de wethouder voor duurzaamheid en mobiliteit graag ziet dat parkeergarages intensiever worden gebruikt, is het college voornemens een tarief voor gebruik van de P&R voorzieningen aan de rand van de stad in te stellen. Dit ontmoedigt het beleid om auto's uit de binnenstad te weren. Het Rotterdam Climate Initiative sterft een vroege dood, terwijl we allemaal weten dat de opwarming van de aarde een feit is. Mitigerende maar zeker ook adaptieve maatregelen in het kader van klimaatverandering zijn essentieel.

Het college gelooft in wonderen. Ze tracht de vergroening van Rotterdam te stimuleren, bijvoorbeeld door de aanleg van een nieuw stadspark. Hiervoor wordt geld vrijgemaakt, maar het extra potje van 1 miljoen euro (op een totale begroting van ruim 3 miljard euro) kan hiervoor nooit genoeg zijn. Aan de andere kant wordt er, in de woorden van het college, door middel van “uitstel van beheer en onderhoud” geld bespaard op het al bestaande groen in de buitenruimte. Dit zijn mooie woorden voor ordinair bezuinigen. Het college gaat ook korten op haar bijdrage aan het beheer van belangrijke groengebieden in de regio, zoals de Rottemeren of Midden-Delfland.

Wij zijn blij dat de wethouder dierenwelzijn van plan is het komende jaar een dierenwelzijnsnota op te stellen. Maar dit zal hij moeten doen met een lege portemonnee. Het is vooralsnog niet duidelijk welke maatregelen in de nota worden opgenomen en hoe deze zullen worden gehandhaafd. Voordat we van daadwerkelijke dierenwelzijn kunnen spreken, moet er simpelweg meer water door de Maas stromen.

Waar mededogen de meetlat is, scoort het college slecht. Aan mensen én dieren wordt de rekening voor het gevoerde beleid gepresenteerd, in de vorm van vieze lucht, minder groen en onvoldoende financiële onderbouwing om dierenwelzijn te bevorderen. Ook op andere beleidspunten is het college geen toonbeeld van mededogen. De kwijtschelding van de afvalstoffenheffing voor minima wordt gehalveerd, de langdurigheidstoeslag verdwijnt en er wordt bezuinigd op armoedebestrijding. Ook verdwijnen er belangrijke sportvoorzieningen.

Onze voorlopige conclusie is dat het college haar ambities niet kan waarmaken. Rotterdam wordt niet duurzamer, niet groener en minder sociaal. Wat betreft een diervriendelijker Rotterdam is het afwachten. Wij zullen dan ook doorlopend een kritisch geluid laten doorklinken in de gemeenteraad van Rotterdam. Dat is bittere noodzaak.