SV: Onkruid­be­strijding op basis van maleïne hydrazide


Indiendatum: dec. 2015

Momenteel gebruikt de gemeente Rotterdam het onkruidbestrijdingsmiddel Ecostyle Ultima. De wethouder verantwoordelijk voor de buitenruimte heeft in een brief (kenmerk 15bb412) aan de Raad gesteld dat het middel wordt gebruikt voor het onkruidvrij maken van verhardingen op moeilijk bereikbare plekken, langs gevels, obstakels en middenbermen. Het middel bestaat uit de werkzame stoffen pelargonzuur en maleïne hydrazide.

Onlangs is er in opdracht van Vewin, de vereniging van drinkwaterbedrijven in Nederland, een rapport (1) uitgebracht waarin wordt geconcludeerd dat maleïne hydrazide de kwaliteit van oppervlaktewater aantast als gevolg van afspoeling door hemelwater. Dit heeft negatieve gevolgen voor de kwaliteit van drinkwater dat wordt gewonnen uit oppervlaktewater en levert dus een direct gevaar op voor de volksgezondheid. Vervuild water heeft ook negatieve gevolgen voor het beoefenen van watersport in meren, plassen en rivieren. Bovendien kan door afspoeling van maleïne hydrazide het zuurstofgehalte van het water afnemen, leidend tot vissterfte.

1. Deelt het college de conclusies van het rapport? Indien nee, waarom niet?

2. Voert het college periodiek overleg met waterschappen en hoogheemraadschappen over het gebruik van maleïne hydrazide op Rotterdams grondgebied? Indien nee, waarom niet?

Drinkwater in Rotterdam wordt geleverd door Evides Waterbedrijf. De gemeente Rotterdam is lid van de aandeelhoudersgroep Gemeentelijk Bezit Evides dat vijftig procent van de aandelen van Evides Waterbedrijf bezit.

3. Kent het college het standpunt van Evides Waterbedrijf met betrekking tot het effect van maleïne hydrazide op de kwaliteit van oppervlaktewater waaruit drinkwater wordt gewonnen? Indien ja, is het college bereid dit standpunt openbaar te maken? Indien nee, is het college bereid dit standpunt in te winnen en vervolgens openbaar te maken?

4. Heeft de gemeente Rotterdam binnen de aandeelhoudersgroep Gemeentelijk Bezit Evides het gebruik van middelen op basis van maleïne hydrazide bespreekbaar gemaakt met de andere leden? Indien nee, waarom niet?

In het rapport wordt ook het oordeel van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) weergegeven over het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen op basis van maleïne hydrazide. Het RIVM stelt dat door een toename in het gebruik van dit soort middelen, bijvoorbeeld als alternatief voor middelen op basis van glyfosaatzouten, grote risico's blijven bestaan. De dosering van middelen op basis van maleïne hydrazide is namelijk meer dan twintig keer hoger dan middelen op basis van glyfosaatzouten. Het ene probleem wordt mogelijk ingeruild voor een ander.

5. Kan het college zich vinden in het oordeel van het RIVM? Indien nee, waarom niet?

6. Hanteert het college een definitie over grootschalig gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen? Indien ja, hoe luidt de definitie? Indien nee, acht het college het opportuun een definitie te gaan hanteren?

In het rapport in opdracht van Vewin wordt aanbevolen te stoppen met het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen op basis van maleïne hydrazide door de gevaren die het oplevert voor de volksgezondheid.

7. Is het college bereid uit oogpunt van volksgezondheid te stoppen met het gebruik van middelen op basis van maleïne hydrazide? Indien nee, waarom niet?

De wethouder verantwoordelijk voor de buitenruimte stelt dat het huidige onkruidbestrijdingsmiddel van de gemeente een zogenoemd laagrisicomiddel is. Een laagrisicomiddel is een chemisch product maar veroorzaakt naar verwachting minder schade aan de buitenruimte dan hoogrisicomiddelen. De stelling van de wethouder is prematuur, aangezien de classificatie van middelen als hoogrisico- of laagrisicomiddel door de lidstaten van de Europese Unie pas over enkele jaren kan worden verwacht. De staatssecretaris van Infrastructuur & Milieu heeft begin juli van dit jaar gesteld dat op de totstandkoming van Europese regelgeving moet worden gewacht alvorens middelen te kunnen aanmerken als laagrisicomiddel.

8. Is het college bereid terug te komen op het standpunt dat het huidige onkruidbestrijdingsmiddel van de gemeente een laagrisicomiddel is? Indien nee, waarom niet?

Momenteel wordt er gewerkt aan nieuwe nationale wetgeving om het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen op verhardingen te regelen. In hoofdzaak leidt de nieuwe wetgeving tot een verbod op het gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen met een hoog risico, bijvoorbeeld middelen op basis van glyfosaatzouten. Het verbod gaat hoogstwaarschijnlijk in op 1 maart 2016. Omdat classificatie van middelen op zich laat wachten geldt het verbod in eerste instantie ook voor de middelen die in de toekomst mogelijk worden aangemerkt als laagrisicomiddel. Dit betekent dat middelen op basis van maleïne hydrazide ook worden verboden. Het verbod houdt in dat de gemeente moet stoppen met het gebruik van het huidige onkruidbestrijdingsmiddel.

9. Denkt het college dat de gemeente in ieder geval vóór de ingang van het verbod is overgeschakeld van het huidige onkruidbestrijdingsmiddel naar andere manieren om onkruid te bestrijden teneinde aan de nationale wetgeving te voldoen? Indien nee, waarom niet?

Laagrisicomiddel is een rekbaar begrip, ongeacht hoe het zal worden verankerd in de wetgeving. De staatssecretaris stelt dat laagrisicomiddelen wel degelijk schade veroorzaken aan de buitenruimte, met name aan oppervlaktewater. Zo stelt de staatssecretaris in het geval van de waterkwaliteit van oppervlaktewater dat:

“Het verleden heeft aangetoond dat de overschakeling op andere chemische middelen die grootschalig worden gebruikt als onkruidbestrijdingsmiddel op verhardingen steeds weer heeft geleid tot andere waterkwaliteitsproblemen. De uitzondering voor laagrisicomiddelen zal derhalve het positieve effect voor de waterkwaliteit, dat wordt beoogd met het gebruiksverbod op verhardingen, deels of geheel teniet kunnen doen.“ (2)

Het oordeel van het RIVM over het gebruik van maleïne hydrazide wordt door de staatssecretaris dus toegepast op laagrisicomiddelen. Bij een toekomstig laagrisicomiddel moet daarom ook worden gekeken naar de wijze waarop het in de praktijk wordt toegepast. De gebruikte hoeveelheid (volume) van het gekozen middel per eenheid oppervlakte is een kritiek punt van aandacht in het geval de gemeente kiest voor chemische onkruidbestrijding, gezien de praktische gevolgen die hieruit kunnen voortkomen.

10. Is het college bereid in toekomstig gemeentelijk beleid met betrekking tot onkruidbestrijding geen onderscheid te maken tussen hoogrisico- en laagrisicomiddelen, aangezien de begrippen weinig zeggen over de praktische gevolgen bij het gebruik van een bepaalde hoeveelheid van het desbetreffende middel? Indien nee, waarom niet?

11. Is het college bereid in gemeentelijk beleid richtlijnen op te stellen over het toepassen van manieren om onkruid te bestrijden, met inbegrip van de te gebruiken hoeveelheid per eenheid oppervlakte waar het een chemisch onkruidbestrijdingsmiddel betreft? Indien nee, waarom niet?

Wij zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet.

(1) http://www.vewin.nl/SiteCollectionDocuments/Nieuws%202015/CLM_Milieuprofiel_Ultima.pdf

(2) https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2015/07/02/positie-laagrisicomiddelen-in-gebruiksmaatregelen-buiten-de-landbouw/positie-laagrisicomiddelen-in-gebruiksmaatregelen-buiten-de-landbouw.pdf

Indiendatum: dec. 2015
Antwoorddatum: 8 mrt. 2016

Op 10 december 2015 stelden Mw. J. Bokhove (GL) en J.D. van der Lee (Partij voor de Dieren) ons schriftelijke vragen over onkruidbestrijding op verharding over maleïne hydrazide

Inleidend wordt gesteld:
Momenteel gebruikt de gemeente Rotterdam het onkruidbestrijdingsmiddel Ecostyle Ultima. De wethouder verantwoordelijk voor de buitenruimte heeft in een brief (kenmerk 15bb412) aan de Raad gesteld dat het middel wordt gebruikt voor het onkruidvrij maken van verhardingen op moeilijk bereikbare plekken, langs gevels, obstakels en middenbermen. Het middel bestaat uit de werkzame stoffen pelargonzuur en maleïne hydrazide.
Onlangs is er in opdracht van Vewin, de vereniging van drinkwaterbedrijven in Nederland, een rapport uitgebracht waarin wordt geconcludeerd dat maleïne hydrazide de kwaliteit van oppervlaktewater aantast als gevolg van afspoeling door hemelwater. Dit heeft negatieve gevolgen voor de kwaliteit van drinkwater dat wordt gewonnen uit oppervlaktewater en levert dus een direct gevaar op voor de volksgezondheid.
Vervuild water heeft ook negatieve gevolgen voor het beoefenen van watersport in meren, plassen en rivieren. Bovendien kan door afspoeling van maleïne hydrazide het zuurstofgehalte van het water afnemen, leidend tot vissterfte.

Hieronder volgen de vragen en onze beantwoording:

Vraag 1:
Deelt het college de mening van het rapport? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja, het College deelt de mening van Vewin en ziet geen redenen om af te wijken van de mening of de conclusie van het rapport van Vewin

Vraag 2:
Voert het college periodiek overleg met waterschappen en hoogheemraadschappen over het gebruik van maleïne hydrazide op Rotterdams
grondgebied? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
De gemeente voert periodiek overleg met waterschappen en hoogheemraadschappen. De onderwerpen zijn divers en in algemene zin wordt ook gesproken over (potentiële) oorzaken voor verontreiniging van oppervlaktewater.

Voorts wordt gesteld:
Drinkwater in Rotterdam wordt geleverd door Evides Waterbedrijf. De gemeente Rotterdam is lid van de aandeelhoudersgroep Gemeentelijk Bezit Evides dat vijftig procent van de aandelen van Evides Waterbedrijf bezit.

Vraag 3:
Kent het college het standpunt van Evides Waterbedrijf met betrekking tot het effect van maleïne hydrazide op de kwaliteit van oppervlaktewater waaruit drinkwater wordt gewonnen? Indien ja, is het college bereid dit standpunt openbaar te maken? Indien nee, is het college bereid dit standpunt in te winnen en vervolgens openbaar te maken?

Antwoord:
De gemeente Rotterdam kan niet namens Evides Waterbedrijf spreken. Het ís aan Evides Waterbedrijf om vragen hierover te beantwoorden.

Vraag 4:
Heeft de gemeente Rotterdam binnen de aandeelhoudersgroep Gemeentelijk Bezit Evides het gebruik van middelen op basis van maleïne hydrazide bespreekbaar gemaakt met de andere leden? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Vanuit haar hoedanigheid als aandeelhouder bespreekt de gemeente Rotterdam de hoofdlijnen van de strategische- en financiële ontwikkelingen bij Evides. Daarmee is een dergelijke vergadering niet geschikt voor bespreking van specifieke bedrijfsvoeringsdossiers tussen de gemeente Rotterdam en de vertegenwoordiger van Gemeenschappelijk Bezit Evides B.V. Wel zal Evides via andere kanalen hierover
worden geïnformeerd.

Voorts wordt gesteld:
In het rapport wordt ook het oordeel van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) weergegeven over het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen op basis van maleïne hydrazine. Het RIVM stelt dat door een toename in het gebruik van dit soort middelen, bijvoorbeeld als alternatief voor middelen op basis van glyfosaatzouten, grote risico's blijven bestaan. De dosering van de middelen op basis van maleïne hydrazide is namelijk meer dan twintig keer hoger dan de middelen op basis van de glyfosaatzouten. Het ene probleem wordt mogelijk ingeruild voor een ander.

Vraag 5:
Kan het college zich vinden in het oordeel van het RIVM? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja, het College kan zich vinden in het oordeel van de RIVM.

Vraag 6:
Hanteert het college een definitie over grootschalig gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen? Indien ja, hoe luidt de definitie? Indien nee, acht het college het opportuun een definitie te gaan hanteren?

Antwoord:
Nee, er is geen definitie die gehanteerd wordt. Het College acht het opportuun een definitie over grootschalig gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen te gaan hanteren en zal deze definitie dit jaar laten opstellen. Uiteraard wordt de Raad hierover geïnformeerd.

Voorts wordt gesteld:
In het rapport in opdracht van Vewin wordt aanbevolen te stoppen met het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen op basis van maleïne hydrazide door de gevaren die het oplevert voor de volksgezondheid.

Vraag 7:
Is het college bereid uit oogpunt van volksgezondheid te stoppen met het gebruik van middelen op basis van maleïne hydrazide? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
In de zomer van 2015 is gestopt met het gebruik Ecostyle Ultima voor het bestrijden van onkruid op verharding in de openbare buitenruimte. Daarmee wordt er geen maleïne hydrazide meer in de openbare buitenruimte gebruikt. Op de semi-openbare ruimte van de begraafplaatsen en crematoria wordt Ecostyle Ultima beperkt gebruikt om de grindpaden onkruidvrij te houden. Alternatieven voor deze wijze van onkruidbestrijding zijn niet voor handen, omdat borstelen, branden, infrarood, stoom en heet water niet effectief kunnen worden ingezet op deze onverharde grindpaden. In 2016 wordt een pilot uitgevoerd op begraafplaats Crooswijk om mogelijk op alternatieve vormen van onkruidbestrijding over te gaan. De uitkomsten van deze pilot worden eind van dit jaar verwacht en dan wordt de Raad hierover geïnformeerd.

Voorts wordt gesteld:
De wethouder verantwoordelijk voor de buitenruimte stelt dat het huidige onkruidbestrijdingsmiddel van de gemeente een zogenoemd laagrisicomiddel is. Een laagrisicomiddel is een chemisch product maar veroorzaakt naar verwachting minder schade aan de buitenruimte dan hoogrisicomiddelen. De stelling van de wethouder is prematuur, aangezien de classificatie van middelen als hoogrisico- of laagrisicomiddel door de lidstaten van de Europese Unie pas over enkele jaren kan worden verwacht. De staatssecretaris van Infrastructuur & Milieu heeft begin juli van dit jaar gesteld dat op de totstandkoming van Europese regelgeving moet worden gewacht alvorens middelen te kunnen aanmerken als laagrisicomiddel.

Vraag 8:
Is het college bereid terug te komen op het standpunt dat het huidige onkruidbestrijdingsmiddel van de gemeente een laagrisicomiddel i s? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Uit onderzoek blijkt dat de term laag risico een rekbaar begrip is. Uit eerdere praktijkervaringen is gebleken dat het bestrijden van onkruid met taagrisicomiddelen niet noodzakelijk is. Op moeilijk bereikbare plaatsen in de openbare buitenruimte, waar voorheen gebruik werd gemaakt van chemische onkruidbestrijding, wordt nu door stoom en/of heet water het onkruid effectief bestreden. Om die reden is in de zomer van 2015 gestopt met het gebruik van chemische middelen voor onkruidbestrijding in de openbare buitenruimte.

Voorts wordt gesteld:
Momenteel wordt er gewerkt aan nieuwe nationale wetgeving om het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen op verhardingen te regelen. In hoofdzaak leidt de nieuwe wetgeving tot een verbod op het gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen met een hoog risico, bijvoorbeeld middelen op basis van glyfosaatzouten. Het verbod gaat hoogstwaarschijnlijk in op 1 maart 2016. Omdat classificatie van middelen op zich laat wachten geldt het verbod in eerste instantie ook voor de middelen die in de toekomst mogelijk worden aangemerkt als laagrisicomiddel. Dit betekent dat middelen op basis van maleïne hydrazide ook worden verboden. Het verbod houdt in dat de gemeente moet stoppen met het gebruik van het huidige onkruidbestrijdingsmiddel.

Vraag 9:
Denkt het college dat de gemeente in ieder geval vóór de ingang van het verbod is overgeschakeld van het huidige onkruidbestrijdingsmiddel naar andere manieren om onkruid te bestrijden teneinde aan de nationale wetgeving te voldoen? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
In de zomer van 2015 is gestopt met het gebruik van chemische onkruidbestrijding in de openbare buitenruimte. Sinds dit moment wordt het onkruid op verharding alleen bestreden door borstelen, branden, infrarood, stoom en /of heet water.

Voorts wordt gesteld:
Laagrisicomiddel is een rekbaar begrip, ongeacht hoe het zal worden verankerd in de wetgeving. De staatssecretaris stelt dat laagrisicomiddelen wel degelijk schade veroorzaken aan de buitenruimte, met name aan oppervlaktewater. Zo stelt de staatssecretaris in het geval van de waterkwaliteit van oppervlaktewater dat: "Het verleden heeft aangetoond dat de overschakeling op andere chemische middelen die grootschalig worden gebruikt als onkruidbestrijdingsmiddel op verhardingen steeds weer heeft geleid tot andere waterkwaliteitsproblemen. De uitzondering voor laagrisicomiddelen zal derhalve het positieve effect voor de waterkwaliteit, dat wordt beoogd met het gebruiksverbod op verhardingen, deels of geheel teniet kunnen doen.
Het oordeel van het RIVM over het gebruik van maleïne hydrazide wordt door de staatssecretaris dus toegepast op laagrisicomiddelen. Bij een toekomstig laagrisicomiddel moet daarom ook worden gekeken naar de wijze waarop het in de praktijk wordt toegepast. De gebruikte hoeveelheid (volume) van het gekozen middel per eenheid oppervlakte is een kritiek punt van aandacht in het geval de gemeente kiest voor chemische onkruidbestrijding, gezien de praktische gevolgen die hieruit kunnen voortkomen.

Vraag 10:
Is het college bereid in toekomstige gemeentelijk beleid met betrekking tot onkruidbestrijding geen onderscheid te maken tussen hoogrisico- en laagrisico middelen, aangezien de begrippen weinig zeggen over de praktische gevolgen bij het gebruik van een bepaalde hoeveelheid van het desbetreffende middel, indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja, de landelijke richtlijnen zullen hierbij zo veel als mogelijk gevolgd worden.

Vraag 11:
Is het college bereid in gemeentelijk beleid richtlijnen op te stellen over het toepassen van manieren om onkruid te bestrijden, met inbegrip van de te gebruiken hoeveelheid per eenheid oppervlakte waar het een chemisch onkruidbestrijdingsmiddel betreft? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Indien noodzakelijk is het college bereid richtlijnen op te stellen over de wijze van onkruidbestrijding op verharding. Echter, zoals eerder bij de antwoorden op vraag 7 en 9 is aangegeven, is in de openbare buitenruimte al overgestapt naar het bestrijden van het onkruid op verharding door borstelen, branden, infrarood, stoom en heet water.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer