12 mei 2026
Schriftelijke vragen: Transparantie, publieke verantwoordelijkheid en afbouw van dierproeven in Rotterdam
Geacht college,
Jaarlijks worden in Nederland honderdduizenden dieren gebruikt voor dierproeven. Volgens cijfers van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ging het in 2023 om 413.746 dierproeven[1]. Dieren worden daarbij blootgesteld aan ingrijpende handelingen, zoals het toedienen van giftige stoffen, het opwekken van ziekten en tumoren, genetische modificatie en het veroorzaken van lichamelijke schade.
Ondanks maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen richting proefdiervrije innovaties, blijft de omvang van dierproeven groot. Tegelijkertijd investeren overheden, kennisinstellingen en bedrijven steeds vaker in alternatieve onderzoeksmethoden die betrouwbaarder, innovatiever en diervriendelijker zijn.
Ook in Rotterdam zijn instellingen gevestigd die beschikken over een vergunning voor het uitvoeren van dierproeven. De Partij voor de Dieren vindt dat inwoners recht hebben op transparantie over de schaal waarop dierproeven plaatsvinden binnen de gemeentegrenzen, de rol van publiek gefinancierde instellingen en de wijze waarop Rotterdam bijdraagt aan de transitie naar proefdiervrije innovatie.
De verantwoordelijkheid van de gemeente beperkt zich daarbij niet uitsluitend tot vergunningverlening. De gemeente heeft immers ook een publieke verantwoordelijkheid op het gebied van gezondheid, innovatiebeleid, economische ontwikkeling, ethiek, dierenwelzijn en de besteding van publieke middelen. Daarnaast werkt de gemeente intensief samen met kennisinstellingen en bedrijven via subsidies, economische programma’s, vestigingsbeleid en publiek-private samenwerkingen.
In dat kader onderhoudt de gemeente Rotterdam ook nauwe banden met het Erasmus MC, onder meer vanuit het beleid rond sociaal ondernemen, innovatie en economische ontwikkeling. Het Erasmus MC is de grootste werkgever van Rotterdam en maakt tevens onderdeel uit van het netwerk van partners binnen het programma Rotterdam Make It Happen. Juist vanwege deze strategische samenwerking en publieke positionering acht de Partij voor de Dieren transparantie en politieke verantwoording over dierproeven en proefdiervrije innovatie van groot maatschappelijk belang.
Tegen deze achtergrond stelt de Partij voor de Dieren de volgende vragen:
1. Volgens het overzicht van de NVWA uit 2023 zijn de in Rotterdam gevestigde vergunninghouders voor dierproeven: Erasmus MC, Viroclinics Biosciences B.V. en Hogeschool Rotterdam. Klopt deze lijst volgens het college en is deze nog actueel? Zo nee, welke instellingen of bedrijven beschikken momenteel binnen de gemeente Rotterdam over een vergunning voor het uitvoeren van dierproeven?
2. Kan het college per vergunninghouder aangeven hoeveel dierproeven zijn uitgevoerd in 2022, 2023, 2024 en 2025, uitgesplitst naar diersoort en ernstcategorie? Indien deze gegevens niet bij het college beschikbaar zijn, is het college dan bereid deze informatie actief op te vragen bij de betreffende instellingen, de NVWA of de Centrale Commissie Dierproeven?
3. Hoeveel dieren werden in Rotterdam in de jaren 2022 tot en met 2025 gehouden ten behoeve van dierproeven of fok voor dierproeven? Kan het college daarbij onderscheid maken tussen verschillende diersoorten en:
· dieren die daadwerkelijk in proeven zijn gebruikt;
· dieren die zijn gedood vóór deelname aan een proef;
· dieren die zijn gestorven of gedood na afloop van een proef?
4. Welke contacten, samenwerkingen, subsidierelaties, economische programma’s, onderzoeksprogramma’s of andere publiek-private constructies onderhoudt de gemeente Rotterdam met instellingen of bedrijven die dierproeven uitvoeren, waaronder specifiek het Erasmus MC in het kader van sociaal ondernemen, innovatiebeleid en het partnerschap Rotterdam Make It Happen?
5. In hoeverre hanteert de gemeente Rotterdam bij subsidie-, innovatie- of samenwerkingsbeleid criteria op het gebied van dierenwelzijn, proefdiervrije innovatie of de vermindering van dierproeven?
6. Is het college bereid inzichtelijk te maken welke gemeentelijke middelen, direct of indirect, de afgelopen vijf jaar ten goede zijn gekomen aan instellingen of bedrijven, binnen en buiten Rotterdam, die dierproeven uitvoeren?
7. Erkent het college dat de gemeente, ook wanneer zij geen formele vergunningverlener is, vanuit haar publieke verantwoordelijkheid invloed kan uitoefenen op de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties, bijvoorbeeld via inkoopbeleid, subsidieverlening, economische samenwerking, innovatieprogramma’s en kennispartnerschappen? Zo nee, waarom niet?
8. Is het college bereid om samen met Rotterdamse kennisinstellingen en bedrijven een routekaart op te stellen richting vermindering en uiteindelijke vervanging van dierproeven door proefdiervrije innovaties? Zo nee, waarom niet?
9. Deelt het college de opvatting dat Rotterdam als innovatieve kennis- en gezondheidsstad een voortrekkersrol zou moeten vervullen in de transitie naar proefdiervrije wetenschap? Zo nee, waarom niet?
10. Is het college bereid de ambitie uit te spreken om Rotterdam op termijn proefdiervrij te maken waar dat binnen de invloedssfeer van de gemeente mogelijk is? Zo ja, welke concrete stappen wil het college hiervoor zetten?
We zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet.